‘Gaan mensen naar de kerk om elkaar te ontmoeten of geloven ze ook nog in God’. Een vraag van iemand die er sinds een aantal jaren van de buitenkant naar kijkt. Als ik erover nadenk, valt mij eerst op dat een kerk – geeft niet welke – ook een belangrijk sociaal netwerk vormt, dat zomaar voor je klaarligt als je je aanmeldt. En dat valt de vragensteller op. (Of de praktijk zo mooi is als de visies op de websites laten vermoeden, blijft natuurlijk de vraag. Maar de buitenkant is mooi.) Dit aspect laat ik rusten in dit artikeltje, maar een andere vraag doet zich voor, ook vanuit mijn eigen waarnemingen: loopt de band met elkaar via Christus of loopt de band met Christus via elkaar? Als ze – en dat neem ik even aan – in God geloven, welke plek heeft Hij dan in dit geheel?

Een oude vraag

Het is geen nieuwe vraag, al zijn er in onze tijd wel weer nieuwe vormen waarin die naar voren komt. Maar zolang ik meeleef in de kerk, komt elke keer opnieuw de klacht – of de blijdschap – over gemeenschap der heiligen naar voren. Iemand is ziek en krijgt veel aandacht: kaarten, bezoek, mensen die iets willen doen en ook metterdaad helpen. Dankbaarheid is op te merken: ik ervaar de gemeenschap der heiligen. Die bestaat echt. Kijk maar. Een vol kaartenlint. Iemand anders binnen de kerk snakt naar contact. Maar hij is, laten we zeggen, wat stroef in de omgang. En het komt er maar niet van, van zinvolle contacten. En de klacht klinkt: waar is de gemeenschap der heiligen? Waarom heeft zij wel contacten binnen de gemeente en ik niet? Het geloof dat je deelt komt dan naar voren in de sociale contacten die je hebt. De band met Christus blijft op de achtergrond.

Voorbeeld: zingen

In onze tijd komen daar allerlei nieuwe vormen bij: wij gaan lekker praisen met elkaar – of Johan de Heer liederen zingen, of…. Dat geeft herkenning. Op zich is daar niets mis mee: ieder heeft zijn eigen muzikale smaak en er zijn zelfs mensen, zoals ik, die Bach mooi vinden. Het wordt spannend als je denkt dat een gedeelde muzikale voorkeur of afkeer constitutief is voor de band die je met elkaar hebt. Ik noem niet voor niets dit voorbeeld: zingen is iets wat je samen doet. Wie niet meezingt, plaatst zich even buiten de gemeenschap. Jongeren doen dat soms: ik moet wel mee naar de kerk, maar denk niet dat ik meedoe. Ouderen ook, uit protest tegen de zoveelste nieuwigheid.

Zingen in de kerk is ook iets wat je diep raakt. Daarin bereik je de laag van de gevoelens en dat geldt zelfs voor wie zich, geleerd door de vele opgelopen blauwe plekken, gehuld heeft in een korst van onkwetsbaarheid. Zingen wordt ook wel therapeutisch gebruikt om bij die gevoelens te komen: ga maar black gospel zingen, of kom maar lekker meedoen met de band. En dan komt die vraag van het begin ook weer naar voren: waar doe je het voor? ‘Officieel’ om God de eer te geven die Hem toekomt, maar in de praktijk? Wat staat op de voorgrond? Of kun je dat niet uit elkaar halen?

Broeders en zusters

Neem nou de aanduiding broeders en zusters. Of, zoals je dat tegenwoordig zegt, broers en zussen. Daar zit van alles in. Tijdens zijn leven op aarde heeft de Heer Jezus het vaak over de broeders en zusters. Hij maakt daarbij ook verschil met zijn eigen familieleden, kinderen van Jozef en Maria. Maar je kunt zeggen dat dan allereerst de onderlinge band centraal staat. Na zijn opstanding gebruikt hij het woord anders. Dan spreekt Hij over de leerlingen als zijn broeders en komt er een dimensie bij. Zie Matteüs 28: 10. En in Johannes 20, tenminste in de Nieuwe Bijbelvertaling, gaat het over de broeders en zusters: Ga ze vertellen dat Ik opstijg naar de Vader. De aangesproken kring is breder dan in Matteüs. Jezus heeft het in Johannes 20 tegen Maria van Magdala over zijn Vader die ook die van de broeders en zusters is. Zijn God die hun God is. Dan is de aanspraak broeders en zusters opeens geen uiting van menselijke verbroedering en onderlinge herkenning meer, maar zeg je daarin tegen elkaar: we horen bij elkaar, want we zijn kinderen van één Vader. Bovenlangs zijn we verbonden en daarom ook onderling. Maria van Magdala is hierbij niet alleen getuige van de opstanding, maar ook prediker van de betekenis ervan: de relatie met God is door Jezus hersteld. Dat verbindt de naar alle kanten weggevluchte broeders en zusters. En daarmee veelzeggend ook voor de gemeenschap van de kerkleden vandaag.

Hoe weten we dat?

‘Alles wat we van boven weten, komt van beneden’. Een uitspraak van wijlen prof.dr. Harry Kuitert. De Bijbel is niet meer dan een boek vol menselijke verhalen. Daarin ga ik niet met hem mee. God openbaart zich aan ons in de Bijbel. Maar het lastige daarbij is dat we dat alleen maar weten omdat mensen die veelzijdige openbaring opgeschreven hebben. Bij de relatie die we met de Heer hebben, gaat dat net zo. De enige echte Vader woont in de hemel. Wij als mensen mogen proberen een beetje op Hem te lijken, als je kinderen hebt. Maar die kinderen leren van onze invulling van het ouderlijk ambt een beetje wat Vader in de hemel voor je doet. Als je tenminste geen vader hebt die afwezig is, of geweld gebruikt, of… Onze kennisweg naar wat Vaderzijn betekent, loopt via de vaak heel gebrekkige afbeeldingen ervan. Christus zelf wijst daarop. Vaders op aarde weigeren hun kinderen toch geen eten, zou de hemelse Vader dan zijn heilige Geest niet geven aan wie erom vragen? (Lucas 11). God leer je kennen via de ‘gewone’ menselijke contacten. Onze broer Jezus komt naar je toe in de aandacht van de aardse broers en zussen in de gemeente van Hem. En het vraagt geloof om dit te leren zien.

Blij met het avondmaal

God zij dank komt de Heer naar ons toe. Bijvoorbeeld in de viering van het avondmaal. Daarin vier je de onderlinge verbondenheid van allen die de verschijning van de Heer liefhebben. En je mag beseffen dat je aan elkaar gegeven bent in dat offer van Christus. Je kunt het niet vaak genoeg vieren. Want het is van onze kant een voortdurende herinnering naar waar het in de gemeente om gaat. Veel gemeentes denken na over de meest vruchtbare manier van vieren. Zonder op al die varianten in te gaan of nog weer andere te bedenken: zie daarin de worsteling om met elkaar steeds weer het geheim van de gemeente te ontdekken, ook als je eigen favoriete viering plaats maakt voor een andere. Je kunt via de sociale media prachtige verhalen lezen over geslaagde ontmoetingen van broers en zussen in de Heer, op gemeentedagen bijvoorbeeld. Vergeet daarbij de diepgang niet.

Want het avondmaal is niet alleen een teken van onze onderlinge verbondenheid; het is tegelijk ook een bezegeling van Gods kant van die eerste preek na de opstanding: de Vader van Jezus is ook jouw Vader. De band met mijn broer of zus in de kerk is daarmee meer dan een menselijke klik met deze of gene.

Dit artikel is gepubliceerd in de GEREFORMEERDE KERKBODE van Groningen, Fryslan en Drenthe van 4 mei 2019. Voor abonnementen of informatie: Stuur een mail naar kerkbode@scholma.nl

Jan Kuiper

Jan Kuiper

Onderzoeker at Praktijkcentrum
Als eindredacteur verantwoordelijk voor artikelen voor werkers in de kerk. Wil hiermee een brug slaan van de bijbel naar de praktijk. Brengt hiervoor zijn ervaring als predikant in en zijn ervaring in projectmanagement. Heeft graag zicht op het grotere geheel. Schrijft het kerkelijk jaaroverzicht voor Handboek Gereformeerde Kerken. Mail of bel (038) 42 555 18
Jan Kuiper
Jan Kuiper

Latest posts by Jan Kuiper (see all)