‘De tucht, hoe gaan we daarmee om?’ was het thema van de Pepdagen voor ouderlingen die het Praktijkcentrum in de nazomer organiseerde. Kerkenraden luisterden, spraken en dachten na over hoe we vandaag in de gemeente willen omgaan met onderling vermaan en tucht. Een deel van mijn inhoudelijke bijdrage aan deze dagen geef ik hier weer.

Reden voor het thema tucht is dat we door de verschuiving naar onderling pastoraat en opener vormen van kerk-zijn, ook herbezinning zien op de taken van ambtsdragers. Als ouderling ben je geroepen om de gemeente op te bouwen door onderwijs, gesprek en beleid. Daar hoort ook bij dat je signaleert wat niet goed gaat in het leven van de gemeente. Maar hoe functioneert de tucht eigenlijk vandaag? Doen we in de gemeente voldoende aan dit toezicht? Volgens de geloofsbelijdenis is de tucht een van de kenmerken van een ware kerk en een sleutel van het hemels koninkrijk; niet los te zien trouwens van die andere sleutel: de verkondiging van het heilig evangelie.

Gericht op verzoening
Tucht, sleutel van het koninkrijk, ware kerk… het zijn oude, zware woorden achteruit ons kerkboek. Woorden die vragen om uitleg en nieuwe vragen oproepen. Wat is dat, tucht? In onze kerkorde valt in artikel D51 te lezen dat de tucht wordt toegepast wanneer er sprake is van ernstige zonde in leer of leven die 1. De eer van God tekort doet, 2. Het behoud van de zondaar bedreigt en 3. De heiligheid van de gemeente aantast. Tucht is gericht op verzoening van de gelovige, met de Heer en met de gemeente. Maar daar begint het natuurlijk niet. Tucht begint bij onderling
vermaan. Als dit onderling vermaan geen uitwerking heeft, dan pas mag de kerkenraad ingrijpen (D52). Een belangrijk element in de oefening van tucht is de avondmaalstafel. Kun jij, kunnen wij, in deze situatie het avondmaal samen vieren? Niet voor niets is de tucht verbonden aan de verkondiging van het evangelie en de bediening van de sacramenten. Het is de erkenning dat mensen groeien in heilig leven door de verkondiging van het evangelie. En het geeft tegelijk aandacht aan de afbeelding van verbond en vergeving in de sacramenten. Van oudsher was het bezoek van de ouderling vooraf aan het avondmaal dus een soort check of het onderwijs tot innerlijke bloei was gekomen: kunnen wij samen aan tafel gaan?

Verlegenheid te boven komen
Je kunt verschillende redenen bedenken waarom kerkenraden nu in de gemeente moeite ervaren met tucht en vermaan. Allereerst: er zijn eenvoudigweg te veel kerken. Daardoor kan men ‘ontsnappen’ aan tucht. Als de kerk te dicht op je huid zit, ga je gewoon weg! Dit is een pijnlijke kwestie die veel gemeenschappen beschadigt. Vervolgens
is er de tijdgeest. Zelfbeschikking en individualisme kunnen in de kerk zorgen voor gebrek aan openheid of het weigeren om aangesproken te worden. Een derde reden kan liggen in de geschiedenis van de GKv zelf, waar vrij strakke opvattingen over leer en leven het klimaat bepaalden.
Toch hoeft verlegenheid met de tucht niet het einde ervan te betekenen: juist het verlegen zijn met, maakt dat je in gesprek kunt gaan over. Leren en spreken over de tucht helpt je als gemeente met ijken: is dat waarover we hier spreken wezenlijk voor leer en leven van de gemeente(leden)? En zo ja, hoe gaan we dit dan doen?

Buiten het koninkrijk
Als we kijken naar de tucht als sleutel tot het koninkrijk, dan is de consequentie van vermaan en tucht aan gemeenteleden: ‘Wanneer zij zich ook aan hun vermaning niet storen, worden zij niet langer tot de sacramenten toegelaten en zo uit de christelijke gemeente en door God zelf buiten het rijk van Christus gesloten’ (HC 31). Er staat dus nogal wat op het spel: vermaan is er niet om de kerk moreel te perfectioneren, om
mensen buiten de gemeente te zetten of jezelf beter te wanen dan een ander. Het gaat om het wel of niet bij het koninkrijk van Christus horen. Dat wordt zichtbaar in de uitsluiting van de sacramenten, die teken zijn van de belofte die God ons doet in het evangelie: vergeving van zonden en leven met Hem.

Maar kijk eens mee naar verschillende vormen van zonde die in het formulier worden genoemd. Dat bestrijkt meer dan, laten we zeggen, het vierde en zevende gebod. Het gaat er nu niet om wie het meest zondig is, maar om een algemene erkenning van het kwaad in ons leven. De moeiten, die we ermee ervaren op verschillende terreinen, delen met elkaar vinden we lastig. Toch is het voor de geloofwaardigheid van de gemeenschap van belang om alle geboden op hun waarde te schatten! Je zou je kunnen afvragen of een gemeenschap die aan de ene eis meer aandacht en gewicht geeft dan aan de andere, wel de moed moet hebben om het avondmaal te vieren.

Gemeenschap van eerlijkheid
We laten elkaar in de gemeente misschien dus té vrij. Dat de gemeente uit zondaars bestaat en dat ieder voor zich probeert het goede leven te leiden, dat is niet het einde van het gesprek maar juist het begin. Hier komen we bij wat voor mij het meest spannende punt is in onze gemeenten op dit moment: de mate waarin we als gemeenten en christenen echt willen groeien in eerlijke navolging. We maken een omslag naar het onderling omzien in kleine kringen. Deze kringen worden geacht elkaar te onderwijzen en vermanen naar Kolossenzen 3. Wij vinden dat lastig, om ons leven en geloof te delen met anderen. Maar het is van cruciaal belang dat we ons geloof en ons ongeloof aan
elkaar kunnen voorleggen en samen aan God. Dat is de gemeenschap van eerlijkheid die we hard nodig hebben om te groeien in geloof. Of dit gaat lukken, bepaalt of wij als kerken blijven bestaan als gemeenschap van Christus, of als gezellige vereniging, commissie van moreel beraad in de samenleving of als weldoenersclub. Door een gemeenschap te zijn van samen leren en oefenen, ontkom je aan het ‘niet oordelen’ in die zin, dat iedereen zijn eigen opvattingen mag hebben. Niet dat de Bijbel dan ineens een duidelijk antwoord heeft op alle morele vragen.
Maar een gemeenschap is daar niet onverschillig over, die zegt niet: tsja, ieder heeft nou eenmaal zijn mening. Een gemeenschap die samen onderweg is en zich oefent in navolging door gebed, gesprek en bijbellezing, wil overeenstemming bereiken: ‘zo zijn onze manieren’. En als samen één lijn kiezen eens een keer niet kan, dan kun je elkaar in ieder geval vrijlaten omdat de ervaring speelt dat die ander met jou eerlijk onderweg is. En niet de ervaring dat die ander onverschillig is voor jouw mening. Wie eerlijk onderweg is, blijft op een kruispunt niet staan treuzelen, maar probeert met behulp van alle hem beschikbare middelen de juiste keuze te maken.
Hij raadpleegt zijn bronnen en zijn reisgenoten. En als je dan ontdekt dat je niet altijd de beste keuze hebt gemaakt, mag je verder trekken in de wetenschap dat de genade van God je voor verder dwalen heeft behoed.

Genade en liefde als voorwaarde
De voorwaarde voor kerkelijke tucht is niet een gemeente waar morele volmaaktheid de boventoon voert, maar genade en liefde. Eigenlijk is dit een vraag naar waar een gemeenschap navolgers van Christus op gebaseerd is: vergeving en liefde voor God en elkaar. Daarmee is de grootste uitdaging voor ambtelijk én onderling vermaan om net als onze God, elkaar de ruimte te geven voor het erkennen van fouten en te werken aan herstel. Of, zoals de Catechismus het scherp ziet: aan allen samen en aan ieder persoonlijk wordt verkondigd dat al hun zonden hun door God om de verdienste van Christus werkelijk vergeven zijn, zo vaak zij de belofte van het evangelie met waar geloof aannemen (HC31). Verkondiging en tucht, woord en daad gaan hand in hand.
Een gemeenschap moet groeien door de verkondiging van het evangelie en leert zo ook elkaar in het licht van dat evangelie te zien. Misschien kun je als predikant of kerkenraad nadenken over een tussenvorm, op weg naar een gemeenschap die zoveel ruimte heeft in haar hart. Iets tijdelijks, zoals de ruimte om te biechten bij een voorganger of wijkouderling om mensen zo een ervaring van een ‘schone lei’ te bieden?
Of het koppelen van gemeenteleden aan elkaar, al dan niet op eigen verzoek, om elkaar te steunen bij het oefenen in een ander leven? Het delen van getuigenissen van mensen die in staat zijn open over hun misstappen en bekering te
spreken? Let wel, de norm is hier liefde en genade, niet morele perfectie. Blijf dat zeggen, op zondag en maandag. Die levenshouding geldt voor elkaar in de gemeente als norm, maar ook richting buitenstaanders. En dat kan betekenen dat iemand die al veel langer op de geloofsweg is, anders vermaand wordt dan iemand die pas meeloopt. Voor de leden van één huisgezin is het vanzelfsprekend dat het oudere kind en het jongere kind verschillend
worden aangesproken.

Tucht of tocht?
Ik dacht in de afgelopen tijd na over een nieuw woord voor tucht. Zelf heb ik eerst gekozen voor discipline. Bij discipline dacht ik aan termen als gehoorzaamheid, zelfbeheersing, je laten sturen, trainen. Maar het lijkt
me toch niet helemaal passend. Want hoewel wij als kerk misschien meer dan de samenleving gehoorzaamheid en nederigheid weten te waarderen, zit ook in onze gemeenten de vraag naar het waarom en naar oefenruimte. Trainen
en gehoorzamen alleen werkt niet als je dat waarom niet steeds weer opzoekt.
Misschien kom ik dus uit bij een vermaan als onderdeel van een gemeenschap van navolgers, waar de verkondiging van het evangelie en het blijven bij dat evangelie hand in hand gaan. Geen discipline dus, maar discipelschap.
Of, zoals een van de deelnemers aan de Pepdagen het verwoordde: geen tucht, maar tocht. Samen onderweg als
gemeenschap van Christus.

Wat te doen?
Hoe ga je nu als kerkenraad samen nadenken over die gezamenlijke trektocht? Heel kort samengevat: Stel de gemeenschap centraal. Verkondiging en tucht zijn met de sacramenten kenmerken van de ware kerk. De kerk leeft bij verkondiging en sacramenten en weet zich daardoor verbonden.

  1. Tucht is relationeel – werk aan goede relaties! Gesprekskringen, verenigingsgroepen, wijkavonden en gemeenteprojecten zijn bouwplaatsen voor onderling samenleven. Kijk of er in jouw gemeente kleine groepen zijn waarin mensen elkaar kunnen opzoeken. Zoek als kerkenraad naar manieren om dit onderling samenleven te stimuleren.
  2. Je kunt hier als ambtsdrager aan bijdragen door je als voorbeeld op te stellen. Niet dat jouw moeiten en misstappen open en bloot op tafel moeten (ook voor jou geldt dat tucht in de gemeenschap plaatsvindt), maar wel in het oefenen van de gemeenschap van genade en liefde.
  3. Wees een oefenplaats. Een kerk die oefenplaats is, is gericht op een gezamenlijk doel: leven in navolging van Christus. Een oefenplaats organiseert onderwijs en training en geeft ruimte voor ontwikkeling. Je mag er proberen (met de beste bedoelingen) en stoppen met wat niet lukt of niet meer nodig is. Zoek als kerkenraad naar de open plekken in de gemeente: waar kunnen we groeien, hoe kunnen we dat oefenen? Vier je groei ook!
  4. Wees alert op roddel en oordeel. Een gemeenschap van liefde en genade moet heel scherp zijn op haar motieven om
    over elkaar te spreken: hoe veilig zijn we bij elkaar? Ook dit begint bij jezelf!
  5. Zie tucht niet los van. Niet voor niets zijn er twee sleutels: verkondiging en tucht. Deze horen bij elkaar als woord en daad. Het evangelie is er niet in de eerste plaats om ons te leren geen fouten meer te maken. Het is er om ons te leren om God lief te hebben boven alles en onze naaste als onszelf. Er is dus zoveel meer waarde aan tucht en vermaan dan kijken hoe vaak iemand ter kerke gaat of welke keuze hij maakt in zijn relatievorm: Gods evangelie gaat over heel het leven!

 

Dit artikel is gepubliceerd in ‘Dienst‘ nummer 4 2015

Jannet de Jong

Jannet de Jong

Adviseur Praktijkcentrum
Maakt graag samen nieuwe plannen die passen bij jouw gemeente. Doet dat het liefst in een duurzaam proces. Studeerde theologie en missionair gemeente-zijn met de vraag: hoe ben je kerk vandaag en wat heb je daarvoor nodig? Werkt aan gemeenteonderzoek en denkt na over krimpende kerken. mail Jannet
Jannet de Jong
Jannet de Jong

Latest posts by Jannet de Jong (see all)