Veel kerken in het Westen gebruiken nauwelijks nog tucht, stellen deskundigen. In elk geval minder dan vroeger. Reden voor de Theologische Universiteit Kampen en het Praktijkcentrum om hier onderzoek naar te laten doen door twee groepen studenten. Hoewel het onderzoek plaatsvond binnen de GKv, zijn de resultaten interessant voor een bredere kring.

Kerken worstelen vaak met de vraag wie zij zijn, en of en hoe je over grenzen mag spreken. Vroeger stonden bijvoorbeeld alleen de leden in het kerkboekje, nu ook toetreders, niet-kerkelijke partners van gemeenteleden en ongedoopte kinderen. Tegelijk horen zij officieel niet bij de kerk. Hoe ga je daarmee om?

Hoe ga je om met leden die niet meer betrokken willen zijn bij kerkelijk activiteiten en soms alle contact afhouden? Mag je hen uitschrijven als ‘metterdaad onttrokken’? Hoe spreek je onderling over de christelijke levensstijl en zitten daar grenzen aan? Mogen samenwonende homo’s aan het avondmaal? Hoe reageer je als ouderling wanneer je in gesprek met een echtpaar uit je wijk hoort dat ze gaan scheiden? Wat doe je als mensen geen avondmaal willen vieren omdat er grote conflicten in de gemeente zijn?

Deze vragen raken aan de kern van het gemeente zijn. Wie horen erbij en wie sluiten we uit? In het onderwerp van de kerkelijke tucht komen al dit soort praktijkvragen bij elkaar en raken we een kernpunt van de identiteit van de kerk.

Ontaarden

Ik omschrijf tucht als het officiële proces binnen een kerkelijke gemeente waarin ambtelijk gezag gebruikt wordt om de gemeente te bewaren als lichaam van Christus. Het gaat hierbij om een officieel proces. Er is namelijk ook informele tucht: onderlinge gesprekken, pastoraat, bemoediging en correctie. Maar hier gaat het nadrukkelijk om het gezag en de macht zoals die van de kant van de kerkenraad (predikant, ouderling) worden uitgeoefend.

Het gaat bij tucht om een proces, een praktijk. Het is méér dan een kerkenraadsbesluit. Ook het spreken dat eraan voorafgaat en de aard van die gesprekken horen erbij.

Tucht gaat verder om de identiteit van de gemeente. Het draait niet om een lijstje van uiterlijke kenmerken waaraan moet worden voldaan. Tucht betreft de kern en het wezen van wie tot de kerk behoren; het gaat om wat deze gemeenschap van gelovigen wezenlijk kenmerkt.

Ten slotte: tucht gaat om de gemeente als lichaam van Christus. Bij dit Bijbelse beeld hoort dat de lokale kerkgemeenschap zich verbonden weet met de kerk van alle tijden en alle plaatsen, de ene, heilige, algemene of katholieke, christelijke of apostolische kerk. Tucht mag niet ontaarden in het beschermen van de eigen lokale opvattingen of de persoonlijke voorkeuren van een voorganger. Het gaat erom dat de gemeente als geheel en de concrete gemeenteleden in het bijzonder werkelijk onderdeel van dat lichaam van Christus zijn en kunnen zijn.

Zaken rond huwelijk en seksualiteit waren significant vaker aan de orde dan zaken rond andere thema’s

Matteüs 18:15-20 is hierbij een belangrijke Bijbeltekst. Christus wijst hier de weg: spreek bij zonde eerst elkaar onderling aan. Als dat niet helpt, schakel je anderen in. Over die fase hebben we het hier. Als ook dan geen bekering plaatsvindt, blijkt er een grens te zijn: ‘Behandel hen dan zoals je een heiden of een tollenaar behandelt.’

Tucht is direct gekoppeld aan het heilig avondmaal, want daar vier je de eenheid van de gemeente. Wie mag deelnemen?

Huwelijksperikelen

Kerkelijke tucht is onder te verdelen in twee soorten: leertucht en morele tucht. Bij de leertucht staat de zuiverheid van de leer centraal. Doorgaans gaat het daarbij om predikanten die zaken beweren die in strijd zijn met de belijdenis of de kerkorde, en daardoor ook met de Bijbel. Van predikanten wordt verwacht dat zij de Bijbelse leer verdedigen en uitleggen. En dat zij gemeenteleden daarin onderwijzen. Afwijkende meningen van gemeenteleden moeten dan ook gecorrigeerd worden, al valt dat vrijwel nooit binnen het raamwerk van de kerkelijke tucht.

Naast de leertucht is er tucht over zaken van het leven. Wie een heftig conflict heeft met een ander, kan niet zomaar avondmaal vieren. Datzelfde geldt voor allerlei andere zaken van morele en ethische aard.

De leertucht werd in de loop van de negentiende en twintigste eeuw vaak doorslaggevend geacht voor het bewaren van de identiteit: wat is een gereformeerde kerk? Antwoorden hierop trokken harde grenzen, met kerkscheuringen tot gevolg.
Tegelijk werd op allerlei manieren tucht uitgeoefend in morele zaken. Herman Roodenburg deed hier bijvoorbeeld onderzoek naar in Amsterdam (1578-1700). Morele tucht kwam volgens zijn bevindingen verreweg het meeste voor en werd ook redelijk strikt toegepast. Huwelijksperikelen kregen hierbij een steeds prominentere plaats.

Het lijkt erop dat de leertucht in de loop van de negentiende en twintigste eeuw, met name rond de verschillende kerkscheuringen, weer nadrukkelijker in beeld kwam. Maar ook in die eeuwen speelde tucht over morele zaken een rol. Net als vandaag de dag. Elke ouderling zal de vele gesprekken en uitvoerige overwegingen hierover kennen.

Ongepast

In een eerder onderzoek van het Praktijkcentrum (2012) naar de vragen en behoeften van kerkleden kwamen verschuivingen binnen de GKv aan het licht. Kerkleden verwachten dat de kerk in de toekomst minder accent zal leggen op regels, afspraken en de kerkorde, en meer op het overbrengen van een boodschap. De precieze invulling en afbakening van leerstellige zaken verschuift naar een globale instemming op hoofdzaken en ruimte voor persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid.

De recente studentonderzoeken naar de praktijk en de beleving van kerkelijke tucht bevestigen deze conclusies. Het eerste onderzoek vond plaats onder kerken in vier GKv-classes. Daar bleken in een periode van 5 jaar 84 tuchtzaken op kerkenraadsniveau behandeld te zijn geweest. Het betrof zaken rond sabbat/zondag, gezag, conflicten, huwelijk/seksualiteit en waarheid/leugen. Zaken rond huwelijk en seksualiteit waren significant vaker aan de orde dan zaken rond andere thema’s.

 

Verder bleek dat na de eerste stap van de tucht (officiële vermaning) vaak geen andere stappen werden ondernomen. In achttien gevallen werd afhouding van het avondmaal toegepast, in één situatie werd voor een gemeentelid officieel voorbede gedaan in de gemeente en in twee situaties werd ook de laatste stap (excommunicatie) toegepast.

Regionaal waren er grote verschillen. In één classis werden beduidend minder situaties van tucht gerapporteerd dan in de andere drie. In een open-vragenronde onder deze kerken stelde men enerzijds dat belangrijk was, maar anderzijds dat hier voor de opbouw van de gemeente weinig van verwacht werd.

Het tweede onderzoek vond plaats in zes gemeenten die allemaal in min of meer landelijke gebieden gesitueerd zijn, zodat de uitkomsten onderling vergelijkbaar zijn. 52 personen werden geïnterviewd, waarvan 34 gewone gemeenteleden, 11 ouderlingen of diakenen en 7 predikanten.

Van de 34 gemeenteleden waren 21 vrouw. Deze groep kende nauwelijks verhalen over of situaties van kerkelijke tucht. Toch bleek dat men tucht over het algemeen een waardevol middel vond. ‘Niet alles kan getolereerd worden in de kerk.’

Er werd door de geïnterviewden regelmatig onderscheid gemaakt tussen tucht over de leer en tucht over levenskeuzes. Leertucht achtte men belangrijk en mogelijk, terwijl tucht over levenskeuzes als ongepast werd gezien. Als verklaring gaf men vaak aan dat er een culturele afstand gegroeid is tussen de tijd waarin de kerkelijke tucht werd ‘uitgevonden’ en vandaag. Termen als afname van sociale controle, individualisme, tolerantie en assertiviteit werden in dit kader gebruikt. Er was onvoldoende gemeenschap voor de tucht.

Of de tucht in de loop van de tijd is afgenomen, zou alleen met gedegen historisch onderzoek vastgesteld kunnen worden. Maar deze studentenonderzoeken maken wel duidelijk dat kerkelijke tucht over morele en ethische kwesties nog steeds wordt toegepast, hoewel met regionale verschillen. Leertucht kwam in de onderzochte classes in de periode 2010-2015 niet voor.

In de beleving van kerkleden is tucht enerzijds onmisbaar (‘niet alles kan getolereerd worden’), terwijl anderzijds van de uitvoering van tucht niet veel opbouwends voor de gemeente wordt verwacht. Op drie punten wil ik deze gegevens duiden.

1. Identiteit

Tucht heeft te maken met identiteit: is deze gemeente echt heilig? Die heiligheid hangt nauw samen met het bekende onderscheid tussen de zichtbare en de onzichtbare kerk, zoals dit in de gereformeerde traditie vanaf Calvijn is gebruikt. De kerk bestaat uit allerlei mensen, met allerlei soorten gedrag en opvatting. Dat is de zichtbare kerk. De onzichtbare kerk definieert Calvijn als de kerk ‘zoals die in werkelijkheid voor Gods aangezicht bestaat, waarin alleen zij opgenomen worden die door de genade van de aanneming kinderen van God en door de heiliging van de Geest ware lidmaten van Christus zijn’ (Institutie IV.1.7).

Voor Calvijn wordt de tucht in de loop van de jaren een steeds belangrijker middel tegenover de dopersen, om te beklemtonen: de kerk moet bewaard worden bij haar redding. Beide aspecten – de kerk is zichtbaar én onzichtbaar – zullen steeds in het oog moeten worden gehouden. Zo niet, dan valt de kerk ten prooi aan of een dopers heiligheidsstreven of een gemakzuchtig postmodern ‘alles kan en mag’.

Tucht is simpelweg één van de manieren waarop de kerk haar roeping in de wereld om heilig te leven serieus moet nemen

Martin Luther heeft nog een derde typering gegeven: de kerk is niet alleen zichtbaar of onzichtbaar, zij is ook verborgen. Daarmee geeft hij een waardevol instrument om het tegelijkertijd zichtbaar en onzichtbaar zijn van de kerk uit te drukken. De verborgen kerk is alleen zichtbaar voor de ogen van het geloof. De ware kerk bestaat niet achter of boven de zichtbare kerk, maar is verborgen in haar aanwezig, terwijl er wel degelijk vele ‘huichelaars’ onderdeel van zijn, zoals zowel Luther als Calvijn stelt.

De moeite die een kerk doet om in concrete situaties over tucht na te denken en die toe te passen, laat zien dat zij zich terecht bewust is van het feit dat de scheidslijn tussen wie wel en wie niet bij de zichtbare kerk hoort een zaak is van veel geloof en wijsheid. Uiteindelijk valt de beslissing hierover pas bij de wederkomst van Christus.

2. Cultuur

Een ander aspect is dat kerkleden aangeven dat de cultuur zo sterk veranderd is. Tucht hoorde bij een tijd van sterke sociale controle en gemeenschap. Dat past niet meer bij vandaag. Tucht zou pas zin hebben als er voldoende gevoel van onderlinge betrokkenheid aanwezig is.

De gedachte is dat de ervaring van gemeenschap een noodzakelijke voorwaarde is voor kerkelijke tucht, maar ik denk dat dat een kip-eidiscussie is. Deze discussie kan alleen worden beslecht als we bedenken dat we niet eerst een sterke gemeenschap moeten vormen voordat tucht kan worden toegepast. Tucht is simpelweg één van de manieren waarop de kerk haar roeping in de wereld om heilig te leven serieus moet nemen. Ook nu. De worsteling die dit met zich meebrengt, moeten we niet vermijden, maar aangaan. Alleen dan zullen we merken dat de kerk zich gaandeweg als gemeenschap leert ervaren en gedragen.

3. Worsteling

De worsteling met onder meer de tucht hoort een kenmerk te zijn van een kerk die onderweg is naar het koninkrijk. Waar een kerk niet meer worstelt met tucht, is zij verleerd te leven in de spanning tussen Gods komende rijk en de werkelijkheid van vandaag.

Dit betekent ook dat er een mate van diversiteit bestaat binnen de kerken. Belangrijk is de vraag waar de grens ligt: wat kan wel en wat kan niet in de kerk? En net zo belangrijk is de vraag: langs welke weg komen wij – plaatselijk en eventueel landelijk – tot het stellen van grenzen? Onze kerkelijke identiteit ligt niet alleen in onze grenzen, maar evengoed in de manier waarop wij binnen die grenzen al zoekend onze weg gaan.

Gesprekspunten

Wat zijn nu – gelet op het voorgaande – zaken die de komende tijd op de agenda van de kerken zouden moeten staan? 

  1. Als kerkleden gemeenschap als een voorwaarde voor tucht zien, hoe kunnen kerkenraden en gemeenten die gemeenschap dan zinvol stimuleren? Gewoon roepen dat het zou moeten helpt niet. Dwang lijkt me ook geen geschikt middel. Wat dan wel?
  2. Veel kerken kennen een kringstructuur. Hoe kunnen zulke kringen werkelijk een vorm van gemeenschap worden waarin we ook het stevige en kritische gesprek over de grenzen van de kerk kunnen voeren? Of past dat niet op een kring? En zo niet, waar dan wel?
  3. Er moeten grenzen zijn aan wat ‘christelijke kerk’ kan heten. Maar hoe voeren we het gesprek over die grenzen op een goede manier als het echt spannend wordt?
  4. Tucht in zaken van de leer lijkt niet meer aan de orde. Betekent dit dat onder ons alles duidelijk is of zijn we ook in de leer toenemend divers aan het worden? Tucht in morele zaken raakt voor velen aan de privésfeer. Hoe kan de kerk zich op een zinvolle manier met de privésfeer van gemeenteleden bemoeien? En wat betekent dat alles voor onze identiteit?
  5. Hoe moeten we concreet de zogenoemde ‘terugwijzing’ rond de vieringen van het heilig avondmaal opvatten? Als een algemene oproep die verder nauwelijks gevolgen heeft? Of moeten we dieper afsteken en hieraan concrete consequenties verbinden?
Hans Schaeffer

Hans Schaeffer

Post-doc onderzoeker Praktische Theologie Theologische Universiteit Kampen In het onderzoek richt ik me op de verzameling en analyse van empirische gegevens over de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Daarnaast houd ik me bezig met onderzoek in de deeldiscipline gemeente-opbouw. De analyse van kerkelijke praktijken geeft inzicht in de manier waarop kerkleden het kerk-zijn beleven. Door hierop theologisch te reflecteren kunnen de aandachtsvelden worden benoemd waarop verder moet worden doorgedacht.