cw20140523Henk Vroom schreef Ik en de ander en pleit voor een ander mensbeeld dan het dominante libertijnse. Henk Geertsema las zijn boek en koppelt het aan zijn eigen ervaringen.

Solidariteit tussen mensen staat in de schijnwerpers. Uitkeringen, pensioenen, asielzoekers, zorg voor zieken en ouderen, hoever moeten we gaan? Zijn we misschien te ver gegaan?
De regering legt de verantwoordelijkheid voor ons welzijn neer bij gemeenten en burgers, maar kunnen en willen die dat doen? Is solidariteit wel mogelijk in een tijdperk waarin ‘ik’ centraal sta, als vormgever van mijn eigen leven en verantwoordelijk voor hoe het met ‘mij’ gaat? Hoe verhoudt een libertijns mensbeeld zich tot solidariteit en zou een ander mensbeeld meer mogelijkheden bieden? Henk Vroom besteedde er zijn laatste boek aan.
Ik ben een poosje ziek thuis. Een chronische aandoening moet onder controle gebracht worden met medicatie. Een (over)volle agenda met lange dagen en een lijf dat alles aankan, maken plaats voor gedwongen rust, diepe vermoeidheid, pijn en onzekerheid over de toekomst. Ik blijk kwetsbaar en beperkt te zijn.
Niet meer ‘sturend’ als directeur en ‘zelf-sturend’ over mijn bestaan, maar afhankelijk van pillen,de zorg van mijn echtgenote en voor de toekomst de goedwillendheid van mijn bestuurders. ‘Het komt meestal goed’, zeggen de artsen, ‘maar er moet wel iets veranderen’.
Het komt ‘goed’, maar het moet een ander ‘goed’ worden. Een ‘goed’ waarvan beperktheid, kwetsbaarheid en tekort inherent onderdeel vormen. En afhankelijkheid van anderen!

Recht
Vroom († 2014) was hoogleraar godsdienstwijsbegeerte aan de VU. In Ik en de ander stelt hij de vraag hoe we solidair kunnen zijn in een ik-tijdperk. In het liberaal/ libertijnse mensbeeld geef ‘ik’ als losstaand individu mijn eigen leven vorm en hoef ik mijn eigen keuzen slechts aan mijzelf te verantwoorden. Solidariteit is dan een wettelijk recht, zonder persoonlijke betrokkenheid en rechten en plichten van gever en ontvanger.
Er liggen twee noties aan de basis van een alternatief mensbeeld: onze eindigheid en de afwezigheid van een ‘ik’ dat los van anderen en onze eigen mogelijkheden ‘mijzelf’ kan beschouwen  en sturen. Onze eindigheid, uniciteit (niemand kan alles), culturele en levensbeschouwelijke bepaaldheid maakt dat we volledig en onlosmakelijk verbonden zijn met andere mensen en van die anderen ook geheel afhankelijk zijn. Feitelijk gezien kan niemand op zichzelf bestaan. Iedereen is kwetsbaar en beperkt.
Solidariteit is zo bezien een vorm van ‘welbegrepen eigenbelang’ dat met wetten, regelgeving en protocollen vorm kan krijgen. Maar wetten en regels leiden tot paradoxen: ze vergen algemene beschrijvingen maar concrete toepassingen, ze leiden tot bureaucratie waar persoonlijke  betrokkenheid gewenst is, rechten en plichten zijn eigenlijk uitsluitingscriteria.
Waar vinden we een diepere fundering voor solidariteit, die tevens de paradoxen kan helpen voorkomen?

Autonoom
In de Westerse wereld zijn een naturalistisch ‘ik’ (een min of meer toevallig geheel van nature,  nurture en culture) en een liberaal ‘ik’ dat in staat is min of meer los van de omgeving ‘onszelf’ te besturen, wijd verbreid. In een naturalistische opvatting zijn waarden eigenlijk niet aan de orde, hoogstens als elementen uit de cultuur of opvoeding. Een fundering voor solidariteit die dieper gaat dan welbegrepen eigenbelang is daarbij niet goed mogelijk.
Hetzelfde geldt voor een liberaal ‘hoog ik’, dat autonoom tot keuzen komt in een innerlijke raadszaal, waar allerlei stemmen klinken. Een dergelijk ‘ik’ zou door de rede in staat zijn goede beslissingen te nemen, gebaseerd op een gepostuleerd geheel van algemeen menselijke waarden, bijvoorbeeld in de Verklaring van de Rechten van de Mens.
Het probleem daarbij is dat deze waarden als geldend ‘verklaard’ worden, terwijl ze in veel culturen en religieuze tradities niet als geldend ervaren worden. En wanneer relaties tot andere mensen als secundair worden gezien (het ‘hoge ik’ beslist immers vrij en zelfstandig), is er geen stevige innerlijke grond voor solidariteit.
In een relationeel mensbeeld bestaat ons ‘ik’ niet uit een zelfstandig iets dat los van de omgeving en concrete ervaringen keuzen maakt. Ons ‘ik’ is niet een ‘iets’, maar het innerlijk gesprek dat we voeren met alle stemmen uit verleden en heden, in het licht van onze mogelijkheden, beperkingen en concrete omstandigheden.
We zijn in gesprek met onszelf en velen om ons heen. Maar daarbij zijn we ook eindig, beperkt, we weten niet alles, zijn ons niet van alles bewust en kunnen dus geen objectieve, vrije positie innemen. Vroom citeert Van Peursen ‘Het gebeurt in mij en ik ben het zelf’ (p. 116). Onze fundamentele verbondenheid werkt door in onze keuzen, moraal, geweten.
Met wie we verbonden zijn, wordt dan ineens van groot belang. Een relationeel mensbeeld geeft een betere innerlijke basis voor solidariteit dan een naturalistisch of libertijns mensbeeld.
Maar waarom zouden we dan solidair zijn met mensen die we niet kennen?
Volgens Vroom geven de grote religieuze tradities van islam, boeddhisme en christendom hier dieper antwoord dan andere tradities en mensbeelden. In de islamitische, boeddhistische en christelijke tradities wordt de ontkenning van eindigheid en beperktheid, de ontkenning van de onlosmakelijke verbondenheid met anderen en met God, gezien als de diepste bron van het kwaad.
Door ons primair te hechten aan ons ‘ik’ raken we afgescheiden en wordt de ander tot een ‘jij’ en degenen die niet bij onze directe groep (‘wij’) behoren tot een ‘zij’. Daarmee wordt de mens fundamenteel ‘kwaad’, zelfs wetten en regels kunnen dit niet ongedaan maken.

Ruimte
Maar die erkenning van het fundamenteel kwade in ons geeft ook ruimte: ‘Als allen tekortschieten, heeft niemand reden te denken dat hij principieel beter is dan een ander’. ‘Deze zondeleer is de grote gelijkmaker van zeer ongelijke mensen’.
Maar dat betekent ook dat moreel goed handelen via wetten en regels niet voldoende is  om tot solidariteit te komen. Want via het volgen van de regels wordt die fundamentele afgescheidenheid van mijn ‘ik’ niet ongedaan gemaakt, hoogstens in bedwang gehouden. Daarom stelt Paulus dat we elkaar als onvolmaakte mensen moeten aanvaarden, het oordeel van God afwachten en erop vertrouwen dat God ons  vergeeft.
Solidariteit ligt dus ten diepste geworteld in de erkenning van kwaad, afgescheidenheid en beperktheid, die we allemaal delen met elkaar. Juist daardoor zijn we verbonden en kunnen we opnieuw elkaar als naaste zien en voor elkaar verantwoordelijkheid dragen. Zo’n solidariteit geeft dat we  als rijke en arme, hoog-begaafde en laag-begaafde, gezonde en zieke, voor elkaars welzijn zorg dragen. Artsen, mijn vrouw, mijn collega’s, mijn leidinggevenden zorgen voor me nu ik ziek ben. Ik ruim de vaatwasser in en uit, kijk wat toetsen na en denk wat mee in rapportages.
Mijn ‘zelf-sturing’ had meer liberaal mensbeeld in zich dan ik me bewust was. Ik leer mijn beperktheid erkennen en leven van genade van God en zorg van mensen. Ik wens iedereen het lezen van Vrooms boek van harte toe.

Dit artikel is geschreven door Henk Geertsema en gepubliceerd in het Christelijk Weekblad van 6 juni
H.M. Vroom, Ik en de ander. Solidair zijn in een ik-tijdperk. Uitg. Parthenon, 2014. € 23,90

Henk Geertsema
Is verantwoordelijk voor de afstemming van de vragen uit de kerken, uit de theologische opleidingen en van de adviseurs en onderzoekers. Dienst aan de kerken in praktische zin in combinatie met dienst aan de (wetenschappelijke en praktische) doordenking van ons leven als volgeling van Jezus Christus. Met elkaar onderweg naar het nieuwe Koninkrijk van God, geleid door de Geest onder een open hemel. mail Henk
Henk Geertsema