Hoeveel ruimte heb je om van de meerderheid afwijkende meningen te hebben binnen de kerk? Vergelijk het met een voetbalclub: als je het verbod om de bal met de hand aan te raken belachelijk vindt, kun je beter naar handbal gaan, of een van de vele andere sporten waar dat wel mag. Maar je kunt best discussiëren over de beste opstelling op het veld, of de tactiek tegen de volgende tegenstander, of… Binnen de kerk gelden ook een aantal regels. Belijdenisgeschriften en een kerkorde bijvoorbeeld. En daar zijn organisaties, scholen, die zich ook daaraan verbonden hebben. Welke ruimte hebben mensen die binnen de kerk werken, of op een gereformeerde school? Hoe strak is de binding aan de belijdenis bijvoorbeeld? En hoe gaan jonge mensen die beroepsmatig in de kerk werken daarmee om?

Millennials en geloof

Daniël Kehanpour en Pieter Jan Kruizinga, studenten aan de VIAA, hebben daar een scriptie aan gewijd. En ze zetten daarmee een boeiende vraag voor de kerken op de agenda. De waarde van het onderzoek vind ik dat ze openbaar maken wat anders misschien alleen onder vrienden bespreekbaar is: de spanning die de geïnterviewde millennials ervaren tussen hun eigen geloofsopvattingen en de heersende cultuur binnen de kerken. (Bij millennials gaat het om mensen die geboren zijn tussen 1980 en 2000; misschien lezen ze dit artikel niet eens, maar een aantal van hun ouders dan wel). En bij ‘kerken‘ gaat het om de gereformeerde kerken vrijgemaakt en de christelijke gereformeerde kerken. Het gaat om een onderzoek, waarbij een beperkt aantal mensen geïnterviewd zijn en ze hebben zich ook nog eens zelf aangemeld. Je kunt volgens mij niet concluderen dat alle mensen uit de bedoelde leeftijdsgroep dezelfde vragen hebben; wel dat een aantal van hen voor hun vragen geen ruimte vindt. En misschien geldt dat voor veel meer mensen.

Instemmen met de belijdenis

Binnen de GKv in ieder geval is een discussie gevoerd, jaren geleden, of wie belijdenis doet van zijn geloof ook daarmee instemt met de drie formulieren van enigheid. Daar zegt de vraag immers niets over. Wel stem je in met de leer die in de kerk geleerd wordt en in de apostolische geloofsbelijdenis is samengevat. Wie bijvoorbeeld ambtsdrager wordt krijgt zeker de gereformeerde belijdenissen onder ogen: verklaar je dat wat daarin staat in alle delen overeenstemt met de Bijbel. Zie het bindingsformulier voor ambtsdragers. Het is belangrijk op die nuancering te letten, zeker gezien de praktijk van de catechese waarin de belijdenisgeschriften veel minder naar voren komen dan, zeg maar, toen de millennials geboren werden. In de praktijk betekent dit dat mijn vader, op zijn negentigste, kon zeggen: als je met het leerstuk van de uitverkiezing niets kunt, laat het dan liggen. Maar ik, als voorganger binnen de kerken en werkzaam bij het Praktijkcentrum, moet er wel wat mee.

En ook op het punt van omgaan met de belijdenis is er inmiddels het nodige veranderd. Prof.dr. Barend Kamphuis werkt dat uit in een artikel over de hermeneutiek van het dogma. Er is meer oog voor de historische setting waarin de leeruitspraken van de kerk gedaan zijn. En bij leeruitspraken denk je aan de belijdenis. Dat geeft ruimte om te zegen: zelf zou ik het zo niet onder woorden gebracht hebben, maar ik kan het toch ondertekenen. Een begrensde ruimte, dat wel.

Cultuur binnen de kerk

Toen ik die scriptie doornam, kwam natuurlijk de vraag op: wat herken ik hiervan? Als het erop aankomt: heel veel. Want het gaat om de vraag of mijn persoonlijke geloofsontwikkeling in de pas loopt met de kerkelijke papieren en de cultuur die op een bepaald moment binnen de kerken heerst. Je zou hetzelfde onderzoek eens moeten uitvoeren onder werkers in de kerk van een andere generatie (In mijn geval, lees ik, de ‘protestgeneratie’, voor wie de jaren zestig heel vormend geweest zijn.) Het waren andere vragen die binnen de kerken naar voren kwamen: toen ik begon als predikant ging het onder andere over de mogelijkheid van samenwerking in de politiek en over actief stemrecht voor vrouwen. En ook in die dagen werd er gediscussieerd over schepping en evolutie en of de Bijbel vraagt om de dagen in Genesis als dagen van 24 uur op te vatten, zonder de verplichting te geloven in een 6 x 24 uur schepping. De vragen uit het onderzoek die leven bij geloofswerkers die jonger zijn dan ik, vind ik overigens ook heel herkenbaar.

In het onderzoek gaat het om de vraag hoever je voor de gemeente uit moet lopen als predikant bijvoorbeeld en dat speelde toen ook. (Wijlen Jan de Koning, indertijd minister, zei: een meter, anders volgen ze je niet.) In de gemeenteopbouw (was in de jaren tachtig in opkomst) ging het bijvoorbeeld over het onderkennen van het statische element in de kerk en het dynamische (Schwartz). Beide waren volgens hem nodig.

In het onderzoek ligt vooral de nadruk op het statische in de beschrijving van de kerkelijke cultuur, en dat is zeker herkenbaar, nu we als vrijgemaakten bezig zijn met een reflectie op ons eigen verleden. Toch mis ik in het onderzoek een goede beschrijving van deze cultuur, ook in de literatuurlijst. Zit er niet meer dynamiek in de kerkelijke cultuur? Dat ik als inmiddels 65-jarige me herken in de vragen, moet toch te denken geven. (Elk jaar probeer ik in het jaaroverzicht van het Handboek GKv iets weer te geven van de veranderingen die er zijn, zonder vooropgezette waardering ervan)

Ambt en persoon

Ergens in het onderzoek wijzen Daniël en Pieter Jan op het verschil in benadering van het ambt. In mijn woorden: vroeger was dat een beschermende mantel, waarachter de persoon soms letterlijk schuilging. Nu is dat al lang niet meer zo. Dat betekent ook dat persoonlijkheidsvorming een integraal onderdeel van de opleiding is geworden, ook aan de Theologische Universiteit van Kampen. Het miste in mijn opleiding. Ik vind het een goede ontwikkeling, maar het brengt ook een kwetsbaarheid met zich mee. De spanning tussen je persoon en de plek binnen de heersende kerkelijke cultuur feller dan indertijd. Het heeft ook te maken met de algemene cultuur waarbij beleving een prominente rol speelt. De onderzoekers wijzen daar terecht op. Vergelijk het met een elektriciteitssnoer. Daar zit niet voor niets een isolerende laag omheen. Zonder de kern stelt het niets voor, maar alleen de koperdraad is ook gevaarlijk. Misschien zit daar wel het grootste verschil: ik en velen met mij hebben moeten ontdekken dat het niet gaat om de isolatie maar om wat er binnen in de draad gebeurt en misschien is het er voor jonge mensen binnen de kerk belangrijk om ook de waarde van de isolatie te ontdekken. Dan gaat het licht branden.

Dit artikel is gepubliceerd in de GEREFORMEERDE KERKBODE van Groningen, Fryslan en Drenthe van 13 oktober 2018. Voor abonnementen of informatie: Stuur een mail naar kerkbode@scholma.nl

Jan Kuiper

Jan Kuiper

Onderzoeker at Praktijkcentrum
Als eindredacteur verantwoordelijk voor artikelen voor werkers in de kerk. Wil hiermee een brug slaan van de bijbel naar de praktijk. Brengt hiervoor zijn ervaring als predikant in en zijn ervaring in projectmanagement. Heeft graag zicht op het grotere geheel. Schrijft het kerkelijk jaaroverzicht voor Handboek Gereformeerde Kerken. Mail of bel (038) 42 555 18
Jan Kuiper
Jan Kuiper

Latest posts by Jan Kuiper (see all)