Iedere gemeente ‘heeft’ kinderen, soms weinig, soms heel veel. Al deze kinderen worden in het midden van de gemeente opgenomen en opgevoed. In iedere gemeente (GKV) worden de kinderen gedoopt. Bij de doop krijgen ze het teken van Gods trouw mee. De doop is ook het teken dat de kinderen bij de gemeente horen. Daarbij wordt de gemeente bij de doop opgeroepen voor de kinderen van de gemeente te zorgen en om hun ouders heen te staan. De kinderen zijn onze kleinste en kwetsbaarste broertjes en zusjes in het geloof, die moeten verzorgd, gevoed en beschermd worden. Toch lijkt er in vrijgemaakt Nederland een zekere onzekerheid of verlegenheid te bestaan als het gaat om deze opdracht. Kinderen horen erbij, we zullen het allemaal met de mond beamen. Maar hoe ziet de praktijk van het met elkaar gemeente-zijn er uit? Is het een loze kreet of een belofte voor de toekomst?

De Bijbel is duidelijk over de plek van de kinderen in de gemeente. Ze horen erbij, ze groeien op in het midden van de gemeente. God heeft oog voor de kinderen. Dit blijkt in het Oude Testament. Wanneer God een verbond sluit met Abraham is dat niet alleen voor hem, maar ook voor zijn kinderen. Vanaf die tijd worden de kinderen met 8 dagen oud besneden, als teken van dat verbond. Als God Zijn wet geeft op de Sinaï en via Mozes en Jozua het volk onderwijst, wijst Hij er keer op keer op dat de kinderen onderwezen moeten worden in de grote daden van God. Zodat ze hem leren kennen en Hem zullen gaan volgen. En ook in het Nieuwe Testament is ruimte voor kinderen. Bij de belofte van de Heilige Geest die Petrus uitspreekt over hen die gaan geloven zegt hij: en voor u is de belofte en voor uw kinderen. En Jezus nam de kinderen in zijn armen en zegende hen. Hij werd boos toen de discipelen dachten dat ze niet belangrijk voor Hem waren en waarschuwde hen voor de straf die volgt als je de kinderen tot zonden verleid.

Hoeveel komt er in de huidige gemeente terecht van het in praktijk brengen van deze duidelijke boodschap: ‘de kinderen horen erbij’? Nog niet zo heel lang geleden was de vrijgemaakte kerk behoorlijk verzuild. Je werd vrijgemaakt geboren, ging naar de vrijgemaakte kerk, de vrijgemaakte basisschool, vrijgemaakt voortgezet onderwijs. Als het even kon ging je ook nog naar een vrijgemaakte HBO of anders werd je in ieder geval lid van een vrijgemaakte studentenvereniging. Je ontmoette een vrijgemaakte partner op een vrijgemaakte (zeil)vakantie en trouwde in de vrijgemaakte kerk, waar je op jouw beurt weer deel uit ging maken van het vrijgemaakte leven. Zo ging het trouwens in de hele Nederlandse samenleving. Familiebanden en kerkelijke banden bepaalden je leven. Kinderen in deze verbanden werden meegenomen in de stroom. Ouders waren verantwoordelijk voor de opvoeding en de geloofsopvoeding werd verder voornamelijk ondersteunt door de school. De kerk was er voor de bijzondere momenten: doop, belijdenis, avondmaal. De kinderen horen bij het verbond en dus bij de gemeente en blijven dus tijdens de eredienst in de kerk. Je weet nooit wat ze oppikken. Dit ging generaties goed. Er zijn mensen in de kerk groot geworden en ze hebben God leren kennen. Dit hebben ze weer doorgegeven aan hun kinderen en die hebben God ook leren kennen.

De samenleving is veranderd. We zijn individualistisch geworden. We willen onze eigen keuzes maken, onze eigen weg bewandelen, ons ontwikkelen. Dit is niet aan de kerk voorbij gegaan. De natuurlijke verbanden van familie, en kerk, school, thuis zijn (deels) weggevallen. De wijsheid die nodig is bij het verzorgen en opvoeden van kinderen wordt niet meer vanzelfsprekend doorgegeven van moeder op kind. En ook de geloofsopvoeding is een privé-aangelegenheid geworden. Kinderen gaan niet meer automatisch naar een vrijgemaakte school. Door moderne inzichten en ontwikkelingen zijn kinderen niet meer gewend 1,5 uur op een stoel te zitten luisteren. Er zijn effectievere manieren om kinderen te bereiken en te onderwijzen. Op de basisschool weten we die goed toe te passen.
Op een of andere manier blijft de kerk altijd achter bij maatschappelijke ontwikkelingen. Een jaar of tien, vijftien geleden zagen we al dat de kerk de tieners aan zich moest gaan binden omdat ze anders hun heil bij een andere, of buiten, de kerk gingen zoeken. In het jongerenwerk zit een enorme beweging. Het GVI, later SGO en nu het Centrum Dienstverlening Gereformeerde Kerken heeft daar een actieve rol in gespeeld en speelt die nu nog. We hebben meer zicht op de jongeren, op hoe hun wereld er uit ziet, hoe ze de wereld beleven, hoe hun ontwikkeling is en hoe we daar als kerk op in kunnen spelen. Toch zien we nog steeds jongeren afhaken en vragen ons af hoe dat kan als we zoveel in ze investeren.

Zou een deel van het probleem kunnen zijn dat alle jongeren in de vrijgemaakte kerk eerst kind zijn geweest in de vrijgemaakte zuil die aan het afbrokkelen was? Amerikaanse onderzoeken wijzen uit dat de meeste mensen hun keuze voor Christus maken voor hun veertiende levensjaar. Als we dus pas bij 12 of 16 jaar beginnen met het betrekken van de jongeren bij de gemeente, laten we een hele hoop kansen liggen. Bovendien weten we uit de ontwikkelingspsychologie dat kinderen voor hun twaalfde jaar veel leergieriger zijn dan daarna. Rond 12 jaar begint de puberteit en gebruiken ze de kennis die ze als kind hebben opgedaan om aan de slag te gaan met de vorming van hun identiteit. Daar kun je als kerk de jongeren zeker bij helpen en nog béter als ze je ze al in ruime mate hebt voorzien van kennis over God voordat ze aan dit proces beginnen, dus al in de kindertijd.

Daar ligt de uitdaging voor de kerk. Natuurlijk ligt de eerste verantwoordelijkheid voor de geloofsopvoeding bij de ouders. We hebben net gezien dat de oude verbanden van school, kerk en gezin (grotendeels) zijn weggevallen. Daarmee is de taak voor de kerk groter geworden. Daar is de kennis over God namelijk aanwezig en dat is ook de plek waar God zich wil openbaren. Als we de kinderen willen laten voelen dat ze erbij horen, zullen we daar actief mee aan de slag moeten. Als wij dat als gemeente niet doen, is er geen alternatief netwerk meer die dezelfde zuil vertegenwoordigd. De kinderen kunnen door de gemeente om zich heen te ervaren leren dat het goed toeven is in de kerk. De oude wijsheid dat er een heel dorp nodig is om een kind op te voeden is nog steeds waar, maar heeft een nieuwe invulling nodig. De wereld waarin de kinderen opgroeien is een andere dan de wereld waarin hun ouders opgroeiden. Ontwikkelingen gaan razend snel en kinderen bewegen daar in mee. Makkelijker dan hun ouders vaak. Dit vraagt om een nieuwe invulling van die kring van vertrouwden om het kind heen, zoals ‘het dorp’ vroeger die functie had. De kerk, haar leden, kunnen voor deze invulling zorgen.
En we hebben de kinderen zoveel te bieden! We mogen hen opnemen in de gemeente als kinderen van God. We mogen ze dopen, het teken meegeven dat God ze nooit meer los zal laten. We mogen ze van jongs af aan vertellen over Gods grote daden! En in onze houding mogen we ze laten zien wie God is en dat Hij voor hen wil zorgen. We kunnen ze onderwijzen op een leeftijd dat ze nog onderwezen willen worden, leergierig zijn. We kunnen zaaien in hun hart op een ontvankelijke en kneedbare leeftijd, voordat ze gaan ontdekken dat er meer is in deze wereld en de wereld aan ze gaat trekken. We kunnen voor ze bidden dat het zaad mag gaan groeien en hun vast zal blijven houden in de periode die aanbreekt in de puberteit waarin ze keuzes moeten gaan maken met betrekking tot geloof en leven. We kunnen ze een basis van genade bieden die nergens anders te vinden is. En dát is ook wat God wil: hij wil ieder kind dat in deze wereld geboren wordt, tot Zijn kind maken. Hij wil dat ze in Hem gaan geloven en het werk van Zijn Zoon aanvaarden. Daarom is Jezus gestorven, daarom is de tijd nog niet vol. God zal genade blijven tonen en hij wil dat wij Zijn instrumenten zijn in deze wereld.
Gelukkig zijn er heel veel mensen binnen de kerken die zich met hun hart en ziel inzetten voor de kinderen van de gemeente. In veel gemeenten wordt niet meer gedacht dat de kinderen ‘wel iets mee zullen krijgen’ tijdens de kerkdienst. Aan de kinderen wordt de boodschap aangereikt op hun eigen niveau en op een manier die hen aanspreekt. Ook in breder christelijk Nederland is er een duidelijke beweging gaande om de kerken te helpen bij deze belangrijke taak.
Een van de belangrijkste inzichten daarbij is dat de ouders de eerst verantwoordelijken zijn voor de (geloofs)opvoeding van de kinderen. Dit is een Bijbelse waarheid. Ouders moeten hun kinderen voorleven en vertellen over Gods grote daden. Geloven begint thuis, noemt Mark Holmen, een Amerikaans schrijver en voorganger in de Willow Creek gemeente dit. Hij combineert de uitdaging voor de kerk zoals we die hierboven geformuleerd hebben met deze opdracht aan de ouders. Hij zou ondersteuning bij de geloofsopvoeding willen inbedden in alle aspecten van het gemeente-zijn. De ouders kunnen hun kinderen naar de clubs in de kerk brengen, maar worden daar zelf ook eens in het jaar verwacht om iets te leren over geloven met kinderen. Tegelijk kan er op de mannen- en vrouwen vereniging en tijdens Bijbelstudieavonden ook aandacht zijn voor het thuis vormgeven van het geloof. En het zijn niet alleen de ouders die betrokken zijn bij de kinderen, ook de ouderen en alleengaanden zouden hier een rol in kunnen krijgen. De doop zou gevierd moeten worden en ook de eerste verjaardag van de doop zou aandacht kunnen krijgen. En tijdens de doopplechtigheid kan de gemeente actief betrokken worden bij het nieuwe, pasgeboren gemeentelid.

Eén ding benadrukt Mark Holmen: de leiding van de gemeente moet voorop gaan. In het beleid wat gevormd wordt moeten ook de belangen van de kinderen voor ogen gehouden worden. Als de leiding de kinderen voor ogen heeft, komt het werk van de mensen die in de gemeente met de kinderen bezig zijn tot zijn recht. Dit is ook een Bijbelse gedachte. God liet de leiders van het volk, bijvoorbeeld Mozes en Jozua steeds benadrukken dat de kinderen ook onderwezen moeten worden over de grote daden van God. Zij moeten keer op keer de ouders herinneren aan hun opdracht om de kinderen te onderwijzen. En Jezus wordt boos op de toekomstige leiders van Zijn kerk omdat ze de kinderen tegen willen houden. Naast de uitdaging om als kerk om de kinderen heen te gaan staan, is er dus de uitdaging voor de leiders van de gemeente, de kerkenraad, de dominees, om oog te hebben voor de kinderen en nooit te denken: die kinderen, ach dat komt wel en die redden zich wel.

Als we geen oog hebben voor de kinderen, hebben we geen oog voor de toekomst van de kerk. Als we het kinderwerk op zijn beloop laten en niet inbedden in het gemeente-zijn, blijven we dweilen met de kraan open. We laten de grote kans om kinderen bekend te maken met het Evangelie en op te voeden in het Licht van God liggen en dienen daarmee Gods opdracht niet. Als we oog hebben voor de kinderen en een goede weg vinden om de kreet ‘kinderen horen erbij’ handen en voeten te geven, wordt deze kreet een belofte voor de toekomst. De toekomst waarin de kinderen van nu weer aan hun kinderen doorgeven Wie God is en vertellen over Zijn grote daden.

Anko Oussoren

Anko Oussoren

Adviseur at Praktijkcentrum
Is sociaal, geïnteresseerd in mensen en heeft zich vooral de laatste jaren ingezet voor jongeren binnen en buiten de kerk. Zijn passie ligt bij het jeugdwerk en het missionair gemeente-zijn. Hij heeft het verlangen om gemeenten toe te rusten vanuit de liefde van God. Mail naar Anko
Anko Oussoren
Anko Oussoren
Anko Oussoren

Latest posts by Anko Oussoren (see all)