Steeds duiken ze weer op, de verhalen over seksueel misbruik van kinderen. De kranten informeerden ons over wereldwijd misbruik in de Rooms Katholieke Kerk, maar onlangs ook weer in de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt).

Eerder schreef ik al eens over dit lastige onderwerp.1 Nu opnieuw, en wel om twee redenen. De eerste raakt met name de slachtoffers: wat is de tactiek van het misbruik? Wat zijn de nare gevolgen en waarom praten met name jongens er vrijwel niet over? De andere reden is een aantal vragen dat opduikt bij de vraag: wat te doen bij misbruik? Hoe verhoudt zich het strafrecht van de overheid met het tuchtrecht van de kerk? Welke rol speelt het ambtsgeheim? Wanneer is er sprake van echt berouw? Welke hulp ontvangen slachtoffers? Hoe valt seksueel misbruik zo veel mogelijk te voorkomen? Het is voor slachtoffers een vernietigende ervaring. Jarenlang is het ontkend of afgedaan als een bagatel. Maar de laatste decennia vond er een omslag plaats. Bekend werd hoe slachtoffers hun traumata uit de kindertijd verdrongen als een strategie om te overleven. Misbruik van een kind wordt niet meer gezien als fantasie, het is te vaak realiteit. Het aantal meldingen nam toe, al betekent dat niet automatisch dat het misbruik zelf toenam. Maar de zaak werd bespreekbaar. En voor psychische problemen die terug te voeren zijn op ervaringen met seksueel misbruik, zijn behandelmethodes uitgedacht. Dat is een hoopgevende ontwikkeling. Bovendien: aanvankelijk dacht men bij slachtoffers van seksueel misbruik alleen aan meisjes en vrouwen, maar sinds het misbruik in kerken bespreekbaar werd, kwamen ook jongens in beeld. De ontkenning van seksueel misbruik van jongens mag niet langer een barrière zijn voor hulpverlening aan deze slachtoffers. Ook deze vorm van misbruik komt voor en helaas veel vaker dan gedacht. De laatste jaren moest de rooms-katholieke kerk diep door het stof, maar we begrijpen dat het verschijnsel ook maatschappelijk veel breder is. Het raakt opnieuw ook de GKv.

Waarom praten jongens niet?
De verwachtingen die men in onze samenleving van jongens heeft, werken in de hand dat je als slachtoffer niet makkelijk over misbruik praat. Jongens hebben het image stoer te zijn. Die laten toch niet gebeuren wat ze niet willen, ze kunnen zichzelf prima beschermen. Slachtoffer-zijn is niet mannelijk. Jongens vragen niet gauw om hulp, ze kunnen hun eigen boontjes wel doppen. Jongens behoren hun emoties in bedwang te houden, aldus Jos van den Broek in zijn boek Er zijn geen namen voor.
Daar komt bij dat er vrijwel altijd sprake is van een ongelijke machtsverhouding: ouder-kind, leraar-leerling, hulpverlener-cliënt, ambtsdragergemeentelid. Voor een kind het goed en wel beseft, is het betrokken geraakt in een situatie waarin het seksueel misbruikt wordt. Er wordt een web van intrige gesponnen, een tactiek van onderwerping ontwikkeld. Aan de ene kant voelt een kind zich overrompeld, gevangen en verraden. Aan de andere kant voelt het zich schuldig en medeplichtig. Aandacht krijgen van de pleger en een diepe band met hem hebben, het zijn ook gevoelens die bij het kind een rol spelen. Hoe zal het dit alles overleven? Vooral door te zwijgen, te ontkennen. Bovendien werkt een gevoel van schaamte mee aan die ontkenning, want diep vanbinnen weet het kind dat het om schaamtevolle dingen gaat. Dat is vooral lastig als een jongen door een man is misbruikt. De jongens hebben vaak schuldgevoelens over hun eigen aandeel hierin. Ze kunnen zelfs gaan twijfelen over hun eigen seksuele gerichtheid. Zijn ze homo geworden omdat ze misbruikt zijn? Uit angst durven ze daar niet over te praten, en ze ontkennen of minimaliseren hun eigen traumatische ervaring.
Om al die redenen is het heel lastig om het stilzwijgen te verbreken. Ik zal vast niet worden geloofd… Ze zullen veel eerder het verhaal van de dader geloven… De dader met zijn overwicht aan aanzien, macht, welbespraaktheid enzovoort… Vaak heeft hij zelfs onder bedreiging van geweld geheimhouding laten beloven. Of heeft hij zijn slachtoffer met geld en cadeaus omgekocht. Wat zal het bekend worden niet aan emoties losmaken? Wat een angst, woede, verdriet over wat er is gebeurd… Alleen al het feit dat een dader permanent in de buurt woont, vormt vaak een rem om de zaak te melden. Omgekeerd kan afstand tot de dader doordat hij verhuisd is of door ernstige ziekte ’machteloos’ geworden, drempelverlagend werken om met het verleden naar buiten te komen. En dan nog blijkt persoonlijke confrontatie vaak pas mogelijk na een lang traject van hulpverlening. Hier moet wijsheid verbonden zijn met grote voorzichtigheid. Slachtoffers mogen nooit voortijdig min of meer gedwongen worden tot zogenaamde vergevingsontmoetingen.

Tactiek van het misbruik
Volgens een gangbare definitie is van misbruik sprake, ‘als de seksuele contacten tegen de zin van het kind plaats vinden, of als het deze contacten als gevolg van emotionele druk, vanzelfsprekend overwicht of dwang van de dader niet kan weigeren’. Ook moet er sprake zijn van lichamelijk contact. Natuurlijk is de intentie van de dader van belang. Van echte genegenheid is geen sprake: hij is gericht op de eigen seksuele bevrediging. Het misbruik komt niet plotseling op of per ongeluk, maar het is resultaat van een keten van gedachten, fantasieën en emoties.
De dader ontwikkelt een strategie om het misbruik te realiseren. Verlangens en risico’s worden afgewogen. Vervolgens manipuleert de dader het slachtoffer door te bedriegen, te misleiden, om te kopen, zodanig dat het seksuele misbruik mogelijk wordt. De dader heeft oog voor de geschikte plaats van het misbruik, de aanwezigheid van anderen, de manier van benaderen en niet te vergeten het stilzwijgen. J.C. Borst geeft in zijn proefschrift Gij zijt die man over deze zaak sprekende voorbeelden van het stilzwijgen:

  • ‘Ik zal zeggen, dat het me spijt, maar…’;
  • ‘Ik beloof hem/haar een nieuw tennisracket…’;
  • ‘Ik maak hem/haar zo bang, dat…’;
  • ‘Als hij/ zij iets zegt: ’t is zijn/haar woord tegen het mijne…’;
  • ‘Zal ik zeggen dat het me spijt…?’
  • ‘Zal ik maar net doen alsof er niets gebeurd is…?’

Misbruik van jongens heeft vele vormen, zoals het voortdurend voeden van de jongen met verhalen over seks en seksualiteit met de bedoeling hem te prikkelen of te verleiden, het gezamenlijk baden of douchen onder het mom van opvoedkundige motieven, het tonen van pornografie met het doel dat normaal te laten lijken om de jongen te verleiden tot seksueel contact. Vanwege de ongelijke machtsverhouding – er is verschil in leeftijd, mondigheid en autoriteit – is er dan sprake van seksueel misbruik. Met alle gevolgen van dien.

Nare gevolgen
Seksueel misbruik is een pijnlijke en schokkende ervaring die gevoelens van machteloosheid, hulpeloosheid, angst en woede oproept. Natuurlijk is niet alle misbruik hetzelfde. De ernst van het misbruik hangt van veel factoren af. Op welke manier vond het plaats? Gebeurde het onder dwang of bedreiging? Welke leeftijd had het slachtoffer en hoe oud was de dader? Heeft het zich over een langere periode afgespeeld? Wat is er precies gebeurd? Maar een hoge of lage score in de ernst van het misbruik betekent niet automatisch een even hoge of lage score in de kwalijke gevolgen. Sowieso maakt misbruik een kind bijzonder kwetsbaar voor allerlei storingen. Die kunnen op verschillende manieren tot uiting komen. Bijvoorbeeld doordat de seksuele ontwikkeling van het kind is verstoord en getraumatiseerd. Het kind verliest het vertrouwen in mensen, vooral in hen van wie het sterk afhankelijk is. Het gevoel van vertrouwen en veiligheid is fun-
damenteel aangetast. Koestering en intimiteit kunnen zelfs als heel bedreigend ervaren worden. Doordat het kind zich machteloos voelt, niet in staat zijn eigen situatie onder controle te hebben, kan het een negatieve opvatting over zichzelf ontwikkelen. Vaak is dan alleen-zijn de enige manier om zich veilig te voelen. Soms verliest het kind ook zijn complete kindertijd en de herinneringen eraan. De pijn van het misbruik wordt zo verdrongen dat het kind vroeg of laat erachter komt dat het in feite geen kind heeft kunnen zijn.
Bij jongens kan misbruik bovendien nog specifieke gevolgen hebben. Het is voor hen veel moeilijker om toe te geven dat ze misbruikt zijn. Vaak steken ze veel energie in het ontkennen en minimaliseren van het misbruik om hun eigen manbeeld overeind te houden. Je wilt niet voor een slappeling worden aangezien, ook niet door jezelf. Zo’n negatief zelfbeeld kan tot gevolg hebben dat de jongen zich tot niets in staat voelt en ook niets wil ondernemen. Hij wordt schuchter, passief en isoleert zich. Of – en dat kan ook – hij wil zich aan die machteloosheid ontworstelen door zichzelf als man voortdurend te bewijzen. Hij kan niet stilzitten, hij moet altijd iets te doen hebben. Hij vertrouwt alleen zichzelf en geeft niets uit handen. Ruimte voor intimiteit ontbreekt, want die is onveilig en werkt angst en boosheid in de hand, aldus Jos van den Broek. Veel slachtoffers schamen zich en geven zelfs zichzelf de schuld van het misbruik. Het is natuurlijk ook erg verwarrend als je verstand zegt: hier klopt iets niet, maar tegelijk je lichaam het signaal geeft dat iets prettig is. Door het misbruik wordt het moeilijker, soms zelfs onmogelijk om later seksualiteit als iets moois en fijns te ervaren. Uiteindelijk kan seksueel misbruik zelfs het aanleren van gewone sociale vaardigheden frustreren. Het is een diepe, smartelijke werkelijkheid, dat een dader misschien op heel passende wijze juridisch behandeld en gestraft kan worden, maar dat zijn slachtoffers vaak levenslang hebben gekregen…

Wat te doen?
Wat te doen bij dit misbruik? Geheimhouding, onvriendelijker gezegd: struisvogelpolitiek, is gevaarlijk voor alle partijen. Die wijze van behandeling is in ieder geval ook onchristelijk. Ze leidt gemakkelijk tot misbruik van de op zichzelf bijbelse uitdrukking ‘zonde met de mantel der liefde bedekken’. Maar hoe dan wel? Allereerst verwijs ik naar het protocol voor gemeenten die geconfronteerd worden met (seksueel) misbruik in pastorale en gezagsrelaties, opgesteld door het Meldpunt van samenwerkende kerken.2
itgangspunt van dit protocol is dat de kerk een veilige plaats behoort te zijn. In situaties van misbruik door een kerkelijke functionaris wordt die veilige plaats het tegenovergestelde: onveilig en dus ook beangstigend. Daarmee wordt niet alleen de naam van onze God geweld aangedaan, ook het vertrouwen in medechristenen wordt ernstig geschaad. Je zult als kerk dan ook zeer zorgvuldig moeten omgaan met alle betrokkenen: mogelijke slachtoffers, mogelijke daders en verder ieder die erbij betrokken is. ‘Mogelijke’, want een vermoeden of zelfs concrete beschuldiging betekent niet automatisch dat er ook een dader is. Aan de andere kant bewijst de praktijk dat ook de meest onwaarschijnlijke beschuldiging wel degelijk op feiten kan berusten. Het protocol waarschuwt er dan ook voor om geruchten niet maar op hun beloop te laten. Als je die laat passeren, kun je er zomaar aan meewerken dat het misbruik doorgaat. Als de geruchten op niets gebaseerd zijn, kunnen ze toch al tot gevolg hebben dat de goede naam van mensen wordt geschaad. In beide gevallen zijn ze dus schadelijk. Negeer ze niet, maar reageer erop met grote zorgvuldigheid.

Overheid en kerk
Er leven uiteraard veel meer vragen. Hoe verhoudt zich het strafrecht van de overheid met het eigen tuchtrecht van de kerk? Daar is een boek over te schrijven, dus duid ik dit nu alleen maar aan. De kerkelijke tucht is wel geestelijk en gebaseerd op het vermaan van Gods Woord, maar ze kan ook uitlopen op daadwerkelijke censuur en excommunicatie, en bij ambtsdragers in ieder geval op uitsluiting uit de kerkelijke ambten. In het strafrecht van de overheid wordt rechtgesproken volgens de wetten van het land, en dat recht gaat over alle burgers. Bovendien beschikt de overheid over de zwaardmacht van politie (recherche) en justitie, en bij veroordeling kan aan de dader (gevangenis)straf opgelegd worden. Om deze reden mag bij seksueel misbruik binnen de kring van de gemeente niet vergeten worden dat het volgens de wet om een misdrijf gaat. De wet verbiedt seksueel contact met een kind jonger dan 12 jaar, en met jongeren tussen de 12 en 16 als er sprake is van dwang en een afhankelijkheidsrelatie. Ook strafbaar is ontucht tussen een werkende in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd. Het is duidelijk dat dat laatste ook geldt voor pastorale situaties. Het staat slachtoffers daarom vrij om aangifte te doen bij de politie of contact te zoeken met het Meldpunt. Zo’n aangifte bij de zedenpolitie bijvoorbeeld is onder meer van betekenis, omdat men daar over deskundige kennis beschikt, specifieke opsporingsmethoden kan inzetten en ook onderzoek kan doen of het misbruik een bredere verspreiding heeft gekregen. Tegelijk blijkt uit de praktijk, dat slachtoffers er vaak heel verschillend inzitten. Ook in de kerk geldt: wanneer is een slachtoffer daaraan toe? De een is er eerder aan toe dan de ander. En een aangifte of klacht moet wel van het slachtoffer zelf afkomstig zijn. Bij minderjarige kinderen kunnen ouders aangifte doen. Het belang van zo’n melding of aangifte is evident: het misbruik moet immers onmiddellijk gestopt worden, en dan graag blijvend. Dat is het beste voor de dader zelf, maar vooral voor slachtoffers, die, zoals gezegd, vaak toch al levenslang hebben. En het afstoppen van de dader voorkomt hopelijk nieuwe slachtoffers.

Ambtsgeheim
Een volgende vraag in dit verband is: hoe staat het met het ambtsgeheim of biechtgeheim? Calvijn leerde al dat de kerk niet oordeelt over geheime zonden, tenzij (!) die wegens de gebleken hardnekkigheid van de zondaar volgens de procedure van Matteüs 18:15-17 bij haar worden aangebracht. Bovendien berust dit oordeel niet bij één man, maar bij de kerkenraad, die is ingesteld om censuur te oefenen. Het zal niemand verbazen dat de kerken lange tijd seksuele misstappen hebben behandeld naar de regel van Matteüs 18. Matteüs 18:15 bevat ook voor de zwijgplicht van de ambtelijke zielzorger een regel: waar het geheime zonden betreft, is deze gebonden aan zijn ambtsgeheim.3 Dat hoeft een echte behandeling van de zaak niet in weg te staan, al beperkt het ambtsgeheim kennis van de zaak tot betrokkenen. Huijser neemt het ambtsgeheim dan ook serieus. Biechtgeheimen deel je niet mee aan ambtgenoten en evenmin aan echtgenoten. Doorbreking van het ambtsgeheim kan alleen gegeven worden door degene aan wie het geheim werd toevertrouwd. Het protocol van het Meldpunt geeft aan dat het ambtsgeheim weliswaar van grote waarde is, omdat wat in vertrouwen verteld is, ook in vertrouwen bewaard wordt, maar dat ook aan het ambtsgeheim een grens kan komen. Daarbij worden criteria genoemd en als eerste: toestemming van de betrokkene om het ambtsgeheim te doorbreken. Andere criteria zijn: de betrokken hulpverlener of ambtsdrager kan in gewetensnood zijn door het handhaven van de zwijgplicht, of het niet doorbreken van het geheim levert voor iemand anders ernstige schade op. Maar in ieder geval is het ambtsgeheim niet bedoeld om seksueel misbruik of misbruik van het ambt geheim te houden. Doorbreking van het ambtsgeheim mag niet breder gebeuren dan strikt nodig is. Het mag dus niet leiden tot ongeremde publiciteit.

Slachtoffers
En wat de slachtoffers betreft: zij hebben in verreweg de meeste gevallen dringend psychische hulp nodig. Als ze met hulp van hun eerste gesprekspartner de symptomen ontdekken, zoals moeite om zich te concentreren, moeite om na te denken of te praten over het gebeurde, last van vervelende beelden of herinneringen, negatieve ervaringen met relaties, onverklaarbare gevoelens van boosheid, teleurstelling, schuld, angst, schaamte, dan kunnen ze het beste hulp zoeken bij professionele hulpverlening. Daar moet bijvoorbeeld door hun pastor met voorzichtige nadruk op aangedrongen worden. Al wordt er ten slotte een klacht bij het Meldpunt of een aangifte bij de politie gedaan, het blijft altijd een zwaar traject voor slachtoffers, voor wie pastorale en psychische hulp aanwezig moet zijn.

Recidive
Een andere vraag die aandacht verdient, is: hoe is recidive te voorkomen? Hoe bewijs je nu als dader dat je berouw oprecht is? Dat is een lastige vraag, maar hij komt in de Bijbel wel aan de orde. Spreuken leert: ‘Wie onnozel is, hecht aan ieder woord geloof, wie verstandig is, let op elke stap’ (14:15). Woord en stap – de Heidelbergse Catechismus spreekt dan over beterschap beloven (met woorden) én bewijzen (metterdaad). Onze vaderen zeiden dan dat naast betuigingen van berouw ook nodig waren ‘gewisse kentekenen(!) van boetvaardigheid’. Die combinatie van woord en daad is voor alle partijen van groot belang om schijnbekering te voorkomen, te onderscheiden en te ontmaskeren.4 Waar kun je bij kentekenen van berouw aan denken? Enkele voorbeelden: bescheidenheid om vergeving niet als een recht op te eisen; het slachtoffer geen schuld toeschuiven; erkenning van de ernst van de daad; merkbare bewogenheid vanwege de vaak levenslange gevolgen voor het slachtoffer; bereidheid om contact met slachtoffer te vermijden en om desgewenst te verhuizen; bereidheid om therapie te vergoeden, zonder erover te onderhandelen.5

Ouders
Vergeet ten slotte ook de ouders niet van jonge kinderen en pubers die misbruikt zijn. Het valt voor ouders die er bij hun kind mee worden geconfronteerd, zeker niet altijd mee om goed te reageren. Wie zelf al last heeft van een angstige of zelfs afwijzende houding tegenover seksualiteit, dreigt allicht ook op die manier te reageren op signalen van zijn/haar kind. Toch kunnen vroegtijdige onderkenning van het gebeurde en ondersteuning bij de verwerking juist door de ouders heel goed meehelpen om de ernst van de gevolgen te beperken. Angst is dan een slechte raadgever. Zeker angst voor reacties van familie, kennissen of de buurt. Of erger nog: angst voor wraak van de dader. Ouders moeten hun kind alle ruimte geven om de vreselijke ervaring te verwoorden, te verbeelden, te verwerken en die openheid met geduldig en verstandig praten en vragen ook losmaken. Laten ze hun kind vooral duidelijk maken dat het geen schuld heeft aan wat er seksueel gebeurde en dat het zich er niet voor hoeft te schamen, want het kind deed het niet zelf, maar was er slachtoffer van. En hoe belangrijk hun inbreng ook kan zijn, zonder goede professionele hulp kunnen de kwalijke gevolgen voor hun kind blijvend zijn. Vandaar het advies, schakel altijd het Meldpunt Misbruik in.

Bijbelse wijsheid
Volstrekt duidelijk moet ook zijn hoe wijs de Bijbel is in het afwijzen van incest en ander seksueel misbruik. Zo open en eerlijk als de Bijbel spreekt, zo open en eerlijk moet er vandaag gesproken worden, thuis, op school en ook in de kerkgemeenschap. Misschien heeft de kerk nog steeds te maken met een fikse achterstand, al zijn er, door schade en schande geleerd, ook goede vorderingen gemaakt. En het is in onze verseksualiseerde maatschappij nog altijd een zegen dat de Nederlandse wet ontucht met minderjarigen verbiedt. Jongens en meisjes die slachtoffer zijn van seksueel misbruik, mogen niet ongetroost en ongeholpen verder moeten modderen, ook en juist als alles van soms vele jaren geleden weer bij hen boven komt en gruwelijk opspeelt. Deskundige en liefdevolle hulp en opvang zijn dan buitengewoon nodig en daarin hebben ouders, ambtsdragers en hulpverleners ieder een eigen verantwoordelijkheid te nemen. Natuurlijk is daar veel wijsheid en moed bij nodig, maar niets doen is geen optie. Integendeel: niets doen en wegkijken is een daad van onchristelijke onbarmhartigheid! Voor alle betrokkenen geldt: ora et labora: bidden om wijsheid en moed en dan met Gods hulp aan de slag.

Dit artikel is geschreven door Harm Boiten en gepubliceerd in Nader Bekeken november 2016. 

  1. Nader Bekeken mei 1996.
  2. Dit protocol is te downloaden van de site Meldpunt Misbruik, waarin de CGK, GKv, NGK en HHK samenwerken
  3. Ph.J. Huijser, Het ambtsgeheim van de zielzorger, Kampen, 1961, p. 140v, 156, 170v, 252.
  4. Een aanzet tot discussie in H.J. Boiten, ‘Bewijs van beterschap’, in: C. van den Berg, H.J. Boiten en C. Trimp, Pastorale. Pastoraat van Geest en Woord, Kampen, 1997, p. 68-84.
  5. Voorbeelden zijn te vinden op de site van Meldpunt Misbruik.
Jannet de Jong

Jannet de Jong

Adviseur Praktijkcentrum
Maakt graag samen nieuwe plannen die passen bij jouw gemeente. Doet dat het liefst in een duurzaam proces. Studeerde theologie en missionair gemeente-zijn met de vraag: hoe ben je kerk vandaag en wat heb je daarvoor nodig? Werkt aan gemeenteonderzoek en denkt na over krimpende kerken. mail Jannet
Jannet de Jong
Jannet de Jong

Latest posts by Jannet de Jong (see all)