Samenzijn voorleven en doorgeven

Voor jongeren komen geloven en deelnemen aan activiteiten van de kerk steeds meer los van elkaar te staan. Jongeren zoeken naar hoe ze God een plek kunnen geven in hun leven, maar kunnen niet altijd uit de voeten met de kerk. Hoe kan de kerk een plek voor hen zijn met ruimte én verbondenheid?

We willen graag dat jongeren zich thuis voelen in de kerk. Dat de kerk een vertrouwde plek voor hen is, waar ze gezien worden en die bijdraagt aan hun relatie met God. Dat thuis voelen in de kerk blijkt vaak lastig voor jongeren naarmate ze ouder worden. Dit doet mij denken aan de drieslag die vaak gehanteerd wordt in de missionaire context: belong (erbij horen), believe (geloven) en behave (gedragen). In traditionele kerken denkt men meer vanuit behave en believe als voorwaarde voor belong (lidmaatschap). Je moet je eerst op een bepaalde manier gedragen en een aantal dingen geloven voordat je erbij mag horen. Maar in gemeentes waar men ‘echt’ missionair wil zijn, staat belong voorop. Het ‘erbij horen’ is de eerste stap. Vervolgens (misschien) geloof en als laatste zou dit kunnen leiden tot gedragsverandering.

Erbij horen
In een missionaire context staat belong dus altijd voorop. Voor mij is dat ook de grondhouding geworden in de manier waarop ik naar het jeugdwerk in de kerk kijk. Ik ben ervan overtuigd geraakt dat jongeren betekenisvolle relaties met anderen nodig hebben. Dat is wat we Jezus zien doen tijdens zijn leven op aarde.
Meestal is Jezus te vinden tussen de mensen. Denk aan de Samaritaanse vrouw (Joh. 4), de overspelige vrouw (Joh. 8), Zacheüs (Luc. 19), de rijke jongeling (Marc. 10). In al deze ontmoetingen laat Jezus allereerst zien dat deze mensen er mogen zijn, dat ze erbij horen. Dat Hij van hen houdt, ongeacht hun gedrag, zonde en keuze Hem wel of niet te volgen. Voor mij is het veelzeggend dat de onvoorwaardelijke liefde van Jezus voorop gaat. Je hoeft niet eerst te geloven, of je op een bepaalde manier te gedragen, voordat Jezus zijn liefde toont.
Als jongere ging ik graag naar de kerk of naar activiteiten van de kerk. Niet omdat ik de activiteiten zo leuk vond, maar vooral omdat ik daar mijn vrienden kon ontmoeten. En doordat we een hechte vriendengroep waren, motiveerden we elkaar om deel te nemen aan de verschillende activiteiten. Het zorgde er uiteindelijk voor dat we met elkaar belijdenis deden en dat we actief werden binnen en buiten de kerk. We hoorden ergens bij, we wilden er ook bij horen en we wilden ons inzetten.

Geloofsgemeenschap
Maar wat als dit zo niet meer werkt? Wat als er geen cultuur meer is om naar kerkdiensten of andere activiteiten van de kerk te gaan? Als er onder jongeren nauwelijks meer een cultuur is van vriendengroepen binnen de kerk waarin je elkaar stimuleert om te gaan? Waar sluit je dan op aan en hoe? Wat volgens mij belangrijk is voor het jeugdwerk in de kerk, is dat we jongeren verbinden aan Christus én hen deelgenoot maken van een geloofsgemeenschap. Daarbij speelt vriendschap een belangrijke rol.
Ik koppel deze drie bewust aan elkaar, ook al weet ik dat het in jeugdwerkland niet altijd populair klinkt. Ik hoor weleens dat het er vooral om gaat dat jongeren Christus leren kennen en dat het niet uitmaakt of ze lid zijn van de kerk. Maar ik zie steeds meer dat het cruciaal is dat jongeren zich verbonden weten en voelen met anderen. En deelgenoot worden gemaakt van een geloofsgemeenschap. Het is moeilijk om in je eentje te geloven en volgens mij is het in de Bijbel nauwelijks een optie. Geloven is kwetsbaar als het individueel moet worden ervaren. Want als je God in je eentje niet ervaart, kun je als jongere enorm op je eigen motivatie en verlangens worden teruggeworpen. Bovendien willen jongeren deel uitmaken van een groep.

Vriendengroepen
Harmen van Wijnen heeft onderzoek gedaan onder een vijftal jongerengroepen die in meer of mindere mate verbonden waren met de kerk (PKN). Hij concludeert dat ‘zijn’ voorafgaat aan ‘organiseren’ en dat een jongere niet kan ‘zijn’ zonder anderen. Samenzijn is een basisgegeven. Jongeren zoeken elkaar op. Ze zijn het liefst bij elkaar om te chillen, plezier te maken, muziek te luisteren en hun gevoelens te delen. Ook geloof en geloofsbeleving zijn voor jongeren een gezamenlijke onderneming. De vormen zijn echter (vaak) niet langer voorgekookte activiteiten van een kerk.
Van Wijnen stelt dat we jongeren niet langer moeten zien als individuele leden van een gemeenschap, omdat jongeren moeite hebben met het instituut kerk. Dat jongeren zich niet meer thuis voelen in de kerk, kan niet opgelost worden met een programma of doordat de kerk allerlei activiteiten organiseert. Van Wijnen wijst vooral op de informele spontane (vrienden)groepen. Jongeren zijn en blijven op zoek naar andere mensen om hen heen. Zij geven betekenis aan hun leven met anderen.

Informele verbanden
Hij doet de aanbeveling om voortaan te beginnen bij de (informele) verbanden van jongeren zelf. De aandacht zou moeten verschuiven van de georganiseerde jeugdgroepen naar vriendengroepen of spontane groepen die licht verbonden zijn met de kerk. Van Wijnen vindt dat we de eigen netwerken en vriendengroepen van jongerenmoeten beschouwen als vormen van kerk-zijn waarin de Geest óók werkt. Hij spreekt van hybride (lichte) vormen van kerk-zijn.
Samengevat zou je kunnen zeggen dat de kerk vooral moet insteken op de spontane vriendengroepen waarin belong vooropstaat en believe en behave optioneel zijn geworden. Want vriendengroepen worden onder jongeren steeds diverser, ook qua geloofsovertuiging. Jeugdleiders zouden daarbij authentieke identificatiefiguren moeten zijn, die vooral het samenzijn vanuit de bron voorleven en doorgeven. Dit vraagt echter veel van kerken en jeugdleiders. De relatie tussen jeugdleiders en jongeren houdt meestal alleen stand als de jongere komt opdagen bij activiteiten. En meegroeit in het plan dat het jongerenwerk voor ogen heeft met de jongeren in de gemeente.

Relationeel jeugdwerk
Andrew Root maakt in Revisiting Relational Youth Ministry onderscheid tussen ‘relaties’ en ‘connecties’. Hij stelt: “We beloven in ons jeugdwerk vaak relaties maar we bieden niet meer dan connecties en dat leidt bij jongeren nogal eens tot teleurstelling”. Een jeugdwerker die volgens Root een connectie aangaat met jongeren, wil jongeren alleen beïnvloeden. Relationeel jeugdwerk gaat volgens hem verder. Relationeel jeugdwerk gaat over je leven delen en aanwezig zijn. Dat gaat verder dan jeugdwerk waarbij we binnen jeugdactiviteiten bezig zijn met het opbouwen van relaties. Want daarin zijn de kerkelijke activiteiten nog steeds het uitgangspunt.
Root daagt ons uit om de relatie met jongeren te zien als de plaats waar Jezus aanwezig is. Relationeel jeugdwerk is niet een middel dat je inzet voor een doel. In de relatie tussen jeugdwerkers en jongeren wordt volgens Root Jezus zichtbaar. Dit betekent dat jeugdwerkers bereid zijn hun leven te delen met jongeren. Het betekent concreet met jongeren optrekken en met hen meelopen. Het is een relatie die twee kanten op werkt, delen is vermenigvuldigen. Als je geeft, ontvang je er iets voor terug. Je dient de ander met hulp of aandacht. Degene die gediend wordt, geeft je daar menselijk contact voor terug. In dat contact kun je iets leren over jezelf, de ander en God. De ander dienen is doen wat God van ons vraagt.
Breed scala aan activiteiten
Wat zou het geweldig zijn als we daarin al vroeg voor jongeren een herkenbaar voorbeeld zijn! Begin bij de (informele) vriendengroep van jongeren. Ik realiseer mij dat bovenstaande praktijk er niet zomaar is, zeker ook omdat daar veel (en soms andere) jeugdwerkers voor nodig zijn. Ik denk dat we als kerk moeten investeren in het begeleiden van ‘spontane’ vriendengroepen. Hiervoor is een breed scala aan ontspannende of diaconale activiteiten denkbaar.
Ik zie dat terug bij twee jeugdwerkers die ik onlangs sprak. Zij proberen op een creatieve manier met jongeren op te trekken en van elkaar te leren. Samen na te denken over persoonlijke, maatschappelijke en geloofsvragen. Waar ze vooral tijd en aandacht aan besteden, is het groepsproces. Dat iedereen er mag zijn, gezien wordt en erbij hoort. En binnen deze vriendengroep is ruimte voor geloofsvragen en daarin is veel variatie. Van de één ‘hoeft het niet’, de ander ‘weet het allemaal niet’, weer een ander is hongerig en bezoekt ook activiteiten van andere kerken om te groeien in geloof. Er zijn jongeren die enkel hun gezicht laten zien tijdens een ontspannen of diaconale activiteit. Het samenzijn is voor deze groep inderdaad een basisgegeven. De jongeren voelen zich hier veilig en thuis.

Thuis voelen
Of jongeren zich thuis voelen in een kerk wordt voor het grootste deel bepaald door hun sociale contacten. Kleine (vrienden)groepen worden ervaren als een goede omgeving om van elkaar te leren en echt met elkaar op te trekken.
Ideaal zou zijn als kerken al in het kinderwerk investeren in groepsvorming. Probeer te stimuleren dat kinderen vriendschappen opbouwen in de kerk. Zorg in de activiteiten voor jongeren dat er ruimte is voor de zoektocht naar God. Ga met hen in gesprek over waar en hoe zij bezig (willen) zijn met hun geloofsontwikkeling. Kijk vervolgens als kerk hoe dat gefaciliteerd kan worden. Blijf ook investeren in de kerkdienst en gebruik daarin liturgische elementen die specifiek gericht zijn op kinderen en jongeren. En betrek kinderen en jongeren daar zelf bij.

Dit artikel is geschreven door Anko Oussoren en gepubliceerd in blad Dienst

Anko Oussoren

Anko Oussoren

Adviseur at Praktijkcentrum
Is sociaal, geïnteresseerd in mensen en heeft zich vooral de laatste jaren ingezet voor jongeren binnen en buiten de kerk. Zijn passie ligt bij het jeugdwerk en het missionair gemeente-zijn. Hij heeft het verlangen om gemeenten toe te rusten vanuit de liefde van God. Mail naar Anko
Anko Oussoren
Anko Oussoren