Liturgie… bron van vreugde of bron van conflict? Veel frustraties en meningsverschillen in de kerk hebben te maken met de invulling van de kerkdiensten. Orgel of drumstel, stilte of luistermuziek, diepgravende of laagdrempelige preken, staand of zittend avondmaal; we kunnen het er maar niet over eens worden. Maar moet dat dan? In dit artikel willen we iedereen die een rol heeft in de kerkdienst op weg helpen rond deze vragen.

In de kerkdienst komen drie ‘spelers’ samen: (1) God als Heer van de kerk, (2) het totaal van de gemeente en (3) het individu. En daartussen zie je interactie die in balans moet zijn. God geeft (zijn genade, zijn Woord, zijn zegen) en de gelovigen ontvangen. Tegelijk hebben de mensen God iets te geven: hun aanbidding, hun schuldbelijdenis, hun liefde, hun leven. Hier is God aan het ontvangen. Ook tussen de gemeente en het individu gebeurt iets: in de kerk mag ik de warmte en liefde van de gemeenschap ontvangen, ik ontvang de talenten van een ander, zijn wijsheid of gebed voor mij. En ik heb de gemeente iets te bieden: ik geef mijn aanwezigheid, mijn naastenliefde, mijn gaven en mijn gebed.

In evenwicht

Wanneer een van deze componenten te veel gewicht krijgt, raakt de driehoek uit balans. Een uitspraak als ‘ik heb er niks aan gehad’ laat een eenzijdige nadruk zien op het individu en het ontvangen. Terwijl ‘je gaat toch niet voor jezelf naar de kerk’ alleen oog heeft voor het geven. Ruimte voor de individuele geloofsbeleving en het belang van de gemeente moeten juist met elkaar in evenwicht zijn. En ontvangen en geven hebben een gelijkwaardige plek nodig. Vieren bestaat uit twee bewegingen: geven, dat is uiting geven aan je geloof, en ontvangen, dat is vormend voor je geloof.

Soms zing je een lied en voel je er niks bij

Soms zing je een lied en voel je er niks bij. De woorden raken je niet of de muziekstijl past niet bij je. Met dit lied kun jij geen uiting geven aan je geloof. Maar dat betekent niet dat het jou niet kan vormen. Juist als je een tikkeltje down in de kerk zit, kan een vrolijk loflied je helpen om over de omstandigheden heen te kijken en God te prijzen ondanks alles. Of als je gevoel verlangt naar ‘happy-clappy’ kan een ernstig lied je aanmoedigen om onder ogen te zien wat jij liever wegdrukt.

In een kerkdienst ben je dus als individu, maar ook als gemeente. Dat vereist dat je het over bepaalde vormen toch op de een of andere manier eens wordt. Dat je in ieder geval een zinvol gesprek met elkaar kunt voeren over de verschillende overtuigingen. In zo’n gesprek moet het niet gelijk over goed en fout gaan, maar ontdek je eerst wat een ander ten diepste drijft. Verschillen in de kerk zijn niet toevallig. Zo lees je in het Nieuwe Testament veel over de verschillende lichaamsdelen en hun verschillende gaven als gaven van Gods Geest (1 Kor. 12, Rom. 12, Ef. 4). En in Efeze 3 omschrijft Paulus het doel van samen gemeente-zijn als volgt: “… met alle ​heiligen​ de lengte en de breedte, de hoogte en de diepte kunnen begrijpen, ja de ​liefde​ van ​Christus​ kennen die alle kennis te boven gaat, opdat u zult volstromen met Gods volkomenheid”. Je hebt elkaar dus nodig, juist omdat iedereen verschillend is.

Liefdestalen

Samen liefde ontdekken en vieren. Daar draait het kennelijk om. Als je liefde wilt delen, samen je liefde wilt uiten en opnieuw laten oplaaien, dan is het nodig dat je elkaars liefdestaal leert kennen. Gary Chapman schreef een beroemd geworden boek over de vijf talen van de liefde. Je kunt op internet een test doen om uit te vinden wat jouw liefdestaal is. Inzicht daarin helpt om te begrijpen wat een ander, bijvoorbeeld je partner, eigenlijk tegen je zegt met zijn of haar woorden en daden. Misschien herken jij het feit dat iemand een avond voor je vrijmaakt niet als uiting van liefde. Misschien hecht je zelf helemaal niet aan het krijgen van cadeautjes, maar doet je partner dat wel. Elkaars taal niet spreken leidt tot pijnlijk onbegrip.

In de discussies rondom kerkdiensten is het niet anders. We zijn allemaal gegrepen door eenzelfde liefde voor Christus en zijn gemeente. Maar we geven op verschillende manieren uiting aan die liefde. En die liefde moet ook op verschillende manieren gevoed worden. Zorg dus dat je het in gesprekken over de kerkdienst altijd over die onderliggende liefde hebt en niet alleen over de (goede of foute) vormen. Want een belangrijk doel van samen gemeente-zijn is dat we woorden leren geven aan die liefde, naar elkaar luisteren en zo meer van die liefde ontdekken. Als je alleen je eigen liefdestaal spreekt, ben je op den duur uitgesproken over de liefde van Christus. Maar samen met alle heiligen blijf je ontdekken.

Bouwstenen

Is er dan niets meer goed of fout in de liturgie? Waarop moet je je keuzes dan baseren? Kunnen we het niet gewoon blijven doen zoals we het altijd gedaan hebben? Dat laatste wordt lastig, want we hebben het misschien een tijdje op ongeveer dezelfde manier gedaan, maar als je verder teruggaat stuit je op enorme verschillen in de manier van vieren.

Al in de tijd van Enos begon men samen de naam van de Heer aan te roepen (Gen. 4:26). Men bouwde altaren en offerde (bijvoorbeeld Gen. 8:20), de tabernakel kwam met een eigen liturgie (Ex. 26-30) en daarna de tempel waarin alles weer anders ging (1 Kon. 8). Jezus deed mee aan de vieringen in de synagoge (Luc. 4:16-22) en de vieringen waarover Paulus schrijft in zijn brief aan de Korintiërs zijn weer heel anders (1 Kor. 14). Ook in de kerkgeschiedenis, van vroege kerk tot middeleeuwen en reformatie, zie je heel diverse vormen voor de eredienst.

Noch in de Bijbel, noch in de traditie kunnen we een blauwdruk vinden voor de liturgie. Maar we ontdekken er wel bouwstenen die door de eeuwen heen van waarde zijn gebleken. In de Bijbel zie je een aantal onderdelen die steeds weer terugkomen in de verschillende vormen van vieren: zingen/prijzen, onderwijs/profetie, gebed, dienen, offers/verzoening en een maaltijd. Deze bouwstenen zijn van wezenlijk belang voor de kerkdienst anno nu. Ze leren ons om gevarieerd te vieren en bieden evenwicht in de driehoek tussen God, gemeente en individu.

Traditie en rituelen

Van de tijd van de vroege kerk weten we niet veel over de invulling van de diensten. Wel kennen we nog gebeden, liederen en belijdenissen uit die tijd. Het Kyrie, Sanctus, Gloria, Agnus Dei en Credo. Deze gebeden kenmerken zich door hun focus op God alleen en beschermen ons tegen een eenzijdige nadruk op beleving en gevoel.

In de periode na de vroege kerk krijgen traditie en rituelen een belangrijke plaats. Beide aspecten leren ons de waarde van het mysterie. God is zoveel groter dan ons verstand en ons gevoel. Tradities laten je beseffen dat je deel uitmaakt van een groter geheel dat jij niet kunt vatten. En rituelen die je zintuigen prikkelen, helpen om het mysterie van het evangelie te laten staan en te proeven.

In de tijd van de reformatie is er veel veranderd in de manier van vieren. Waar de gemeenteleden eerder slechts als toeschouwer aanwezig waren en alleen door bemiddeling van de kerk met God in contact konden komen, staat nu de genade centraal. Deze kern van genade kwam tot uiting in de tweeslag Woord – Antwoord.

  • Woord: Gods genade komt naar de mensen toe. Dus geen Latijn en ingewikkelde redeneringen, maar de Bijbel in de eigen taal en begrijpelijke preken. In het beeld van de driehoek kun je dit het geven van God en het ontvangen van mensen noemen.
  • Antwoord: Mensen zijn geen toeschouwer maar ontvanger van Gods genade. Ze gaan zelf weer zingen (daarvoor waren eenvoudige melodieën en liederen in de eigen taal nodig) en zijn verder ook actief betrokken bij de dienst door luisteren, bidden en belijden. Hier zijn het de mensen die geven en is het God die ontvangt.

Het is wel goed om te beseffen dat er ook tussen de reformatoren verschillende opvattingen over de kerkdienst bestonden (Luther bleef dicht bij de roomse mis, Zwingli wilde een sobere Woorddienst en Calvijn hanteerde meer variatie en meer inbreng van de gemeente). Het patroon van Woord – Antwoord zie je in veel onderdelen van de huidige liturgie, bijvoorbeeld in Votum (antwoord) en Groet (Woord), schuldbelijdenis (antwoord) en genadeverkondiging (Woord), preek (Woord) en lied (antwoord). Deze bouwstenen uit Bijbel en geschiedenis helpen liturgen bij het vormgeven van diensten waarin verschillende mensen met al hun verschillende liefdestalen samenkomen.

Pastorale kant

We hebben gezien dat het weinig zinvol is om gesprekken over verschillen in de kerkdienst te voeren op een goed/fout-niveau. Tegelijk hebben we gezien dat er wel degelijk belangrijke bouwstenen zijn om rekening mee te houden. De bedoeling is niet dat eenieder alleen zijn eigen lied zingt, maar dat ieders eigen stem deel wordt van het koor dat samen God prijst en daardoor van Hem en zijn werk onder de indruk komt. Hoe zorg je er nu voor dat dat ideaal dichterbij komt?

Vanuit verschillende kerkelijke achtergronden is in de afgelopen decennia aandacht gevraagd voor de pastorale kant van de liturgie. Aan de ene kant waren er kerken waarin de liturgie werd ervaren als een dwingend keurslijf, als eenheidsworst. Aan de andere kant waren er ook kerken waarin juist liturgische chaos ontstond, zogenaamde worship wars. Vanuit beide problemen, die op het eerste gezicht heel verschillend lijken, is door theologen in de richting van één oplossing gewezen: mensen die een leidende rol hebben in de liturgie moeten zichzelf in de eerste plaats als pastor zien. Het gaat daarbij zeker niet alleen om dominees, maar ook om muzikanten, technische ondersteuners, kinderwerkers en noem maar op. Zij zijn niet in de eerste plaats verantwoordelijk voor de uitvoering van ‘hun stukje van de dienst’, maar ze hebben een verantwoordelijkheid in het leiden van de gemeente als herder (pastor).

Dat betekent volgens ons twee dingen:

  1. Een pastor is een verbinder. Hij (of zij) zorgt ervoor dat iedereen betrokken blijft. Hij kent de gemeente en bedenkt niet alleen: wie kan ik vragen voor het pianospelen komende zondag, maar ook: wie heeft het nodig om erbij betrokken te worden? Wie kan een ander ondersteunen? Welke ongedachte, creatieve verbinding kan ik leggen? Hij werkt aan goede, duidelijke communicatie, let erop dat de diversiteit van de gemeente aan bod komt in de diensten (omdat daarin iets blijkt van Gods veelkleurige gaven). Hij maakt ruimte, geeft een compliment waar nodig en stimuleert tot ontwikkelen. Hij heeft oog voor mensen. Bovendien heeft hij steeds aandacht voor de verbinding met God: het werken aan de kerkdienst is een zaak van gebed.
  2. Tegelijk heeft een pastor ook iets van een regisseur. Ook de regisseur kan niet zonder verbinding, maar behalve voor mensen heeft hij ook oog voor de bouwstenen uit de Bijbel en de geschiedenis. Hij zorgt voor een ‘verhaal’ in de dienst, hij let op de overgangen. Hij bereidt de dienst zorgvuldig voor, omdat het niet zomaar iets is wat daar gebeurt. Waar nodig wint hij advies in of maakt studie van een onderwerp. Hij heeft de leiding en zorgt er zo voor dat mensen richting ervaren in de dienst en er geen chaos ontstaat.

Met zulke pastors, die in verbinding staan met God en de gemeente en hun werk serieus nemen, kan diversiteit kerkdiensten verrijken. Er klinken dan veel verschillende stemmen en (liefdes)talen, maar het geheel klinkt niet vals omdat de harmonie van de liefde van Christus erin doorklinkt.

 Dit artikel is geschreven door Koos Tamminga en Ingrid Plantinga en gepubliceerd in Dienst.

Ingrid Plantinga
Ingrid is theoloog en houdt zich graag bezig met jeugdwerk, liturgie en geloofsonderwijs. Ze is projectleider van Follow Up! en ontwikkelt bijbelstudie- en catechesemateriaal voor kinderen, tieners, jongeren en mensen met een verstandelijke beperking. Ze houdt ervan om na te denken over visie en beleid en om dingen helder en overtuigend op papier te zetten. Mail naar Ingrid
Ingrid Plantinga

Latest posts by Ingrid Plantinga (see all)