Was de verwijzing naar Eli wel zo geslaagd? Dat gebeurde op de dag rond geloofsverlating die het Praktijkcentrum organiseerde. De rechter/priester Eli die merkte dat zijn zoons zich niets aantrokken van het verbond met de Heer. Geloofsverlating onder het oude Israël. De bedoeling van ds. Roelof Telgenhof was om de aanwezigen te helpen de kerk/Godverlater in jezelf te herkennen en zo naast de ander met zijn vragen te kunnen gaan staan. Daarop kwam, op de site van het Praktijkcentrum, een reactie waarin de schrijver hier vragen bij stelde: “Wel een gevaarlijk voorbeeld van Eli. Ouders kunnen last hebben van schuldgevoelens als kind(eren) andere wegen gaan en niet meer in God geloven. Of ouders worden aangesproken op hun blijkbaar niet goede geloofsopvoeding. Terwijl dat lang niet altijd het geval is.”

‘Geen wonder’

Het is goed om dit punt, van de schuldgevoelens die we elkaar al dan niet aanpraten, even uit te diepen. Het is inderdaad een heel begrijpelijke reactie om, geconfronteerd met de misère van een ander, jezelf wijs te maken dat je door je eigen opstelling geen risico loopt. “Geen wonder dat hij ontslagen is, als je kijkt naar de manier waarop hij zijn werk aanpakte.” Of ziek geworden is omdat hij ongezond leeft, of merkt dat zijn kinderen het geloof bij het vuilnis zetten, na het gebrek aan geloofsopvoeding dat je meent te moeten constateren… Of, om bij een actueel gesprek te blijven: ‘Geen wonder dat ze in de billen geknepen wordt, als je ziet hoe ze zich kleedt’.
Met opzet maak ik het even algemeen. We reageren als gewone mensen op tegenslag, ook als kinderen aan de kant zetten wat je als ouders nu net heel belangrijk vindt. En we zoeken een soort verklaring waardoor we even de illusie kunnen koesteren dat het onheil van de ander ons niet zal treffen. Omdat we het net even beter aanpakken. Maar eigenlijk weten we wel beter. Ondertussen laat je die ander wel zitten. Zo’n reactie is een variant op: eigen schuld, dikke bult. Je doet even de deur dicht en waant je in je eigen wereldje veilig. Je weet misschien ook wel dat de gedachtegang nergens op gebaseerd is, maar je kijkt bewust de andere kant op. Of: als die ander jouw recept maar even volgt, komt het misschien weer goed. Dat is wijd verbreid: als werkzoekende merk ik dat bij de instanties die daarbij op mij weg komen, soms de indruk gewekt wordt dat de succesvolle aanpak van Yvonne die op haar zestigste een nieuwe baan vond, ook voor die talloos anderen geldt. Je bent bijna een sukkel als het jou niet lukt.
Kort samengevat: de ‘geen wonder’- aanpak werkt afstand in de hand, in plaats van nabijheid. En binnen de kerk ben ik inderdaad die aanpak regelmatig tegengekomen, juist als het gaat om het verdriet van ouders die meemaken dat hun kind breekt met wat het belangrijkste in het leven is: de band met de Heer. En dat helpt niet echt, die benadering. Het laat je als ouder in de kou staan.

Jouw idee over God

Waarom snappen we wel dat je bij iemand met longkanker achteraf geen verwijten moet maken over zijn leven als roker en steekt een vergelijkbare reactie toch de kop op als het gaat om geloofsverlating? Omdat de Bijbel zelf wel lijkt te spreken over de verantwoordelijkheid van de ouders ook voor de keuzes van kinderen. De motivatie van het tweede gebod speelt hierbij een rol. En zeker in de weergave van de Nieuwe Bijbelvertaling: voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen boeten…, wanneer ze mij haten. De Bijbel in Gewone Taal zet het nog sterker neer: Dan straf ik hem en ook zijn nakomelingen… De oudere vertalingen kenden een neutralere versie: daar gaat het om God die de zonden van de ouders bezoekt aan de kinderen. Je hoeft hierbij nog niet aan het soms voorkomende idee van een generatievloek te denken: je haalt zelf de duivel binnen in je leven en je kinderen worden erdoor demonisch belast. In het tweede gebod gaat het om de beelden die we van God maken. Die hoeven niet van hout of steen te zijn, maar bestaan ook in onze gedachten en woorden. En dat geef je door, dat horen je kinderen: Wie is God voor jou? Het tweede gebod laat inderdaad het belang van goede geloofsopvoeding zien en spreekt ons erop aan.

Onrijpe druiven

Toch is daarmee niet alles gezegd. Later, tijdens de ballingschap, komen de verwijten. Als de jongere generatie van toen zegt: onze ouders kozen tegen God en nu zitten wij met de gevolgen. “Als de ouders onrijpe drijven eten, krijgen de kinderen stroeve tanden” Dat was een spreekwoord geworden. Zie hiervoor Ezechiël 18. De ellende van de kinderen is dan niet alleen de schuld van de ouders, maar ook nog eens een straf van God. En de profeet gaat dat weerleggen. Hij doet dat door een aantal situaties te schetsen waaruit blijkt dat God ieder persoonlijk opzoekt. Wat doe je met de erfenis van je ouders, ook wat betreft het (on)geloof? En het blijkt te gaan om ieders persoonlijke keuze. Je wordt niet gestraft om de keuzes van je ouders, maar misschien wel om je eigen navolging van hun verkeerde keuzes. Belangrijk voor de goede toon is het laatste vers van dat hoofdstuk: “Want de dood van een mens geeft me geen vreugde, spreekt de Heer. Kom tot inkeer en leef.”

Visitatie

In een uitgebreid artikel op de website van het Nederlands Bijbelgenootschap wordt de keuze van de vertaling in het tweede gebod verantwoord. Belangrijk daaruit is een van de laatste zinnen: het gaat om een berekenend handelen (van God) wanneer een overtreding, het vereren van godenbeelden, is vastgesteld. Het vroeger gebruikte woord ‘bezoeken’ voldoet niet meer omdat het inmiddels een andere betekenis heeft gekregen.
Ik moest hierbij wel denken aan de visitaties, bijvoorbeeld in het onderwijs. Dan komt een aantal mensen langs namens de regering die in een uitgebreid onderzoek nagaan of de school nog wel aan de voorwaarden voldoet. Je bent niet bij voorbaat veroordeeld, maar je beseft wel dat het niet zomaar een bezoekje is. Het kan gevolgen hebben. Het bezoek kan een bezoeking worden.
Vanuit het Bijbels onderwijs over geloofsopvoeding (en dit zijn maar een paar teksten die hiermee te maken hebben) moet je dus heel hard nee zeggen tegen een al te snelle conclusie over anderen dat het wel aan hun zelf gelegen zal hebben wanneer kinderen andere wegen gaan. Zie vooral Ezechiël 18. Dan schep je afstand. Tegelijk prikkelt de Bijbel wel tot, modern woord, zelfreflectie: heb ik misschien, zonder het te willen natuurlijk, iets in de weg gelegd voor anderen om te geloven? Dat helpt om naast die ander te kunnen staan en de kerk/Godverlater in jezelf te herkennen. En daarmee kan het gesprek misschien alsnog op gang komen.

Dit artikel is gepubliceerd in de GEREFORMEERDE KERKBODE van Groningen, Fryslan en Drenthe van 28 oktober 2017. Voor abonnementen of informatie: Stuur een mail naar kerkbode@scholma.nl

The following two tabs change content below.

Jan Kuiper

Onderzoeker op Praktijkcentrum
Als eindredacteur verantwoordelijk voor artikelen voor werkers in de kerk. Wil hiermee een brug slaan van de bijbel naar de praktijk. Brengt hiervoor zijn ervaring als predikant in en zijn ervaring in projectmanagement. Heeft graag zicht op het grotere geheel. Schrijft het kerkelijk jaaroverzicht voor Handboek Gereformeerde Kerken. Mail of bel (038) 42 555 18

Laatste berichten van Jan Kuiper (toon alles)