Het had iets schurends: zit je twee zaterdagen achter elkaar met zo’n twintig mensen, stuk voor stuk met passie voor het geloof, te praten over geloofsverlating. Dat was op de PEP-dagen voor de kerkenraden die het Praktijkcentrum organiseerde. Een in het noorden, in Assen en een in Zwijndrecht. Samen blij met het goede nieuws over Jezus en dan met elkaar in gesprek over het gesprek met de mensen die breken met het geloof en over hun vrienden, ouders en familie. Ds. Roelof Telgenhof (GKv Assen-Kloosterveen) zette ons stil bij Eli en hielp om de geloofsverlater in onszelf te herkennen: het ging allemaal zijn gangetje bij de tent van de samenkomst waar de priester Eli diende, maar het had allemaal geen uitstraling.

Ergernis

Even later luisterde ik naar jonge mensen die voor de zoveelste keer opgelopen waren tegen de gezapigheid in de kerk. En uiteraard, als je met een groep mensen bij elkaar bent, gaat het om geven en nemen. Dat weten zij ook wel. Maar daarmee ben je er niet. De catechismuszondag over de kerk als gemeenschap van de heiligen zet me meteen stil bij mijzelf en mijn zondige aard waartegen ik mijn leven lang te strijden heb. (Zondag 21 HC). De strijd met mezelf ga ik aan, al zie je bij jezelf lang niet alles van die zondige aard. Dat betekent onrust, maar die is heilzaam. Waarom is in de gemeente dan soms zo weinig van die heilzame onrust te herkennen?
Er is soms een verlammende traagheid omdat werkgroep X en taakgroep Y over een initiatief het nodige moeten zeggen – en die doen dat allemaal in hun vrije tijd. En voor je het weet, voelen ze zich gepasseerd.
Wat is het verband met de inzet van dit artikeltje over geloofsverlating? Ik denk aan Matteüs 18. De discipelen willen kinderen bij Jezus weghouden, maar Hij heet ze welkom in de kring, zegt de volwassenen aan dat ze het koninkrijk moeten ontvangen als een kind en waarschuwt ervoor om de kleinen in het koninkrijk ook maar iets in de weg te leggen. Dan kun je beter met een molensteen om de hals in de zee gegooid worden. Zo fel is de Bijbel nergens over rekening houden met ouderen. En ik neem daarvan mee dat je dus beter de ergernis van de ouderen op de hals kunt halen dan die molensteen als je jongeren iets in de weg legt voor de ontwikkeling van hun geloof. Dat is lastig voor ouderen – nog even en ik hoor daar ook bij -, maar het gaat om het kennen van Jezus.

Zelfreflectie als gemeente

Dit is geen oplossingsrichting voor het gegeven dat veel mensen de kerk verlaten en zich vervolgens nergens bij aansluiten. Ik hoor daarbij een terugkerend refrein in kerkblaadjes: het geloof zegt me niets meer. Een oplossingsrichting zou zijn van: als we nu maar ruim baan geven aan de jongeren, dan komt het wel goed. En ik weet ook wel dat het tegenvallende gedrag van mensen in de gemeente soms als excuus gebruikt wordt om je eigen keus goed te praten. Maar ik vind het net iets te gemakkelijk als je dat constateert en vervolgens de feedback negeert, hoe ongelukkig die soms ook gegeven wordt. Ik denk daarbij aan een andere zondag uit de catechismus, waarin de bede ‘Uw naam worde geheiligd’ zo omschreven wordt: geef dat Uw naam om ons niet gelasterd, maar geëerd en geprezen wordt. Of, om Liedboek (1973) 360 aan te halen: Geef dat niet de woorden (van het evangelie) breken op de daden van de kerk. Wie dat belijdt, of zingt, is bereid om naar zijn eigen functioneren te kijken, persoonlijk én ook samen, als gemeente. Leggen wij geen struikelblokken in de weg voor andere mensen? Ik heb gemerkt dat het dan niet altijd gaat om aanwijsbaar foute zaken, maar ook om dingen die ik vanuit mijn eigen situatie oprecht bedoel, maar in de situatie van de ander soms helemaal verkeerd vallen. Op de dagen over geloofsverlating ging het dan ook vooral om afstemmen op elkaar, wil het gesprek van de grond komen. Dat afstemmen vraagt openheid, ook over je eigen optreden, als pastor en als gemeente.

Het walmende vlammetje

“We motten tegenwoordig zo blaai zijn”. Dat zei de christelijke schrijfster Jo van Dorp-Ypma in de jaren tachtig naar aanleiding van de opkomst van de evangelische geloofsbeleving. Ze zei dat in een interview op TV. Die vloedgolf heeft inmiddels de kerken bereikt en daar veel goeds gebracht. Dat voorop. Het roept ook het beeld op van de enthousiaste gelovige die in superlatieven spreekt en zich openstelt voor de gaven van de Geest: er is meer… Je hoort van gelovigen die elke dag in tongen spreken en impliciet de traditionele kerken verwijten dat ze dit terrein hebben verwaarloosd. Dat vraagt om een aparte bespreking, dan begrijp ik. In het kader van dit artikeltje signaleer ik dat hiervan de suggestie uitgaat dat je allemaal dat niveau zou moeten bereiken.
Maar dan kom je weer Jezus tegen, die ervoor koos om niet flitsend op te treden in een wervelende show, maar zijn weg door Israël ging zonder zijn stem te verheffen. Matteüs wijst daarbij op de profetie uit Jesaja 42: de knecht van de Heer: het geknakte riet breekt hij niet af, noch dooft hij de kwijnende vlam. (Zie Matteüs 12.) Hij kijkt om naar het kaarsje dat bijna uit is. Dan denk ik daarbij aan die zuster voor wie ik mocht bidden in de kerkdienst en die zo depressief is dat ze geen licht meer ziet aan het einde van de tunnel. En ook aan die jongen die riep: ik kan er niet onderuit dat God bestaat, maar dat is zo ongeveer het enige wat ik nog geloof. Mijn heiland past zijn optreden aan hen aan, om in die situatie zijn genezend werk te doen, ook daarvan spreekt Matteüs 12. Als het gaat om afstemmen op die ander betekent dat ook de bereidheid om jezelf niet alleen te zien als het kaarsje in de nacht, dat tot zijn eer schijnt, uit het oude kinderliedje, maar soms ook als het walmende vlammetje dat bijna uitgaat.

Verlegenheid

Ook dit is geen oplossingsrichting, maar een overweging die bij mij opkomt. De verlegenheid blijft, daarom waren die PEP-dagen voor de kerkenraden ook belegd. Een verlegenheid die hoort bij het besef dat het in geloofsverlating niet gaat om een keuze voor een verschillend merk auto, maar om leven en dood. Dat is de pijn van de ouder die merkt dat zijn kind niet meer gelooft, of van het kind dat hetzelfde merkt van zijn vader, ook dat komt voor. Het evangelie is immers niet vrijblijvend. Daar zijn geen gemakkelijke oplossingen voor, een soort vertrouwen dat het allemaal wel goed komt. Pas als je die pijn onder ogen ziet, kun je een begin van genezing vinden in het besef dat God geen bidder afwijst. Denk aan die buurman van Christus aan het kruis, die ver van huis geraakt was en toch mocht thuiskomen. Het is inmiddels ook een pijn die bijna gemeentebreed aanwezig is. Godzijdank hoor ik niet vaak meer de goedkope opmerking dat het wel aan de ouders zelf gelegen zal hebben als hun kind andere wegen gaat. Zo’n opmerking slaat zomaar terug op jezelf. Maar het gesprek binnen de gemeente komt soms nog maar aarzelend op gang. Laten we die weg met elkaar gaan.

Dit artikel is gepubliceerd in de GEREFORMEERDE KERKBODE van Groningen, Fryslan en Drenthe van 30 september 2017. Voor abonnementen of informatie: Stuur een mail naar kerkbode@scholma.nl

The following two tabs change content below.

Jan Kuiper

Onderzoeker op Praktijkcentrum
Als eindredacteur verantwoordelijk voor artikelen voor werkers in de kerk. Wil hiermee een brug slaan van de bijbel naar de praktijk. Brengt hiervoor zijn ervaring als predikant in en zijn ervaring in projectmanagement. Heeft graag zicht op het grotere geheel. Schrijft het kerkelijk jaaroverzicht voor Handboek Gereformeerde Kerken. Mail of bel (038) 42 555 18

Laatste berichten van Jan Kuiper (toon alles)