Elk jaar wordt de Trendrede opgesteld door verschillende onderzoekers en toekomstdenkers. Diverse christelijke organisaties voor jeugdwerk formuleren jaarlijks de Jeugdtrends. De beschreven trends staan dichter bij elkaar dan ik had verwacht.

Ongemiddeld

De Trendrede spreekt van een ongemiddelde samenleving, iets als gemiddeld bestaat niet meer. Iedereen is in de minderheid, mensen ervaren steeds minder dat ze op elkaar lijken. Als reactie daarop zoeken ze sterker naar mensen die op henzelf lijken. Dit komt de tolerantie niet per se ten goede: de ander moet zich aanpassen aan mij.

De gemene deler, een groter verhaal waarin we ons allemaal herkennen, verdwijnt. Voor jongeren lijkt dit beeld nog sterker. Hun interesses, opvattingen en voorkeuren lopen zo uiteen dat labels voor hen eerder beperkend zijn dan prettig. Dit vraagt nogal wat van jongeren. In een enorme jungle van ongemiddelden moeten zij wel een antwoord zien te vinden op de identiteitsvraag: ‘Wie ben ik?’

Als adviseur binnen het kerkenwerk constateer ik het ontbreken van een gezamenlijke identiteit al wat langer. Het gezamenlijke verhaal, met duidelijke waarden en normen, levert eerder spanningen op dan een gevoel van eenheid. De één wil zich graag losmaken van het gereformeerde keurslijf, terwijl een ander hunkert naar een herstel van de gereformeerde traditie. We zijn een bont gezelschap geworden waarin we allemaal een eigen verhaal hebben; over geloven, over God en over de kerk. En daarbij zijn we, ook in de kerk, vaak vooral op zoek naar die mensen die op ons lijken.

Verbrokkeling

Het ontbreken van een gezamenlijk verhaal in de samenleving leidt ook tot verbrokkeling in onze systemen. Werken vanuit systemen brengt met zich mee dat we ons verantwoordelijk voelen voor slechts een deel(tje) van dat systeem. We bezien wat we doen als iets wat op zichzelf staat in plaats van als een onderdeel van een groter geheel. Tegelijk doen we ook langzaam nieuwe inzichten op: we willen de menselijke maat (weer) terug laten keren in dat systeem. Door de protocollen heen willen we elkaar weer zien.

Binnen het kerkenwerk meen ik te herkennen dat we flink hebben geïnvesteerd in de kerk als systeem. Neem bijvoorbeeld het nieuwe bestuursconcept dat twintig jaar geleden is ontwikkeld. Ambtsdragers gingen zich beperken tot de gebieden verkondiging, pastoraat, onderwijs en diaconaat. Een commissie bestuurlijke zaken werd de spil voor het overige werk. De verwachting was dat dit bestuursconcept de gezamenlijke identiteit van de gemeente beter zou borgen. In diezelfde tijd ontstond aandacht voor het werken met kleine groepen. Deze kringen of miniwijken zouden eraan bijdragen dat gemeenteleden zich meer verantwoordelijk gaan voelen voor elkaar. Veel energie is gaan zitten in het organiseren en structureren van de gemeente. Hierbij schoot de aandacht voor het gemeentelid er soms zomaar bij in.

Perfectiemythe

Een gezamenlijk verhaal lijkt er niet meer te zijn of het moet het appel zijn dat vandaag klinkt: gij zult gelukkig zijn! Het lijkt een soort verworven recht of opgelegde last. Hoeveel ruimte is er dan nog voor nuance en reflectie? Hoogleraar psychiatrie Denys schrijft in zijn column in NRC Handelsblad: “Het ís niet normaal om mooi en succesvol te zijn en alles onder controle te hebben. Het is normaal om soms bang te zijn, ongelukkig, verdrietig, dom, je te vervelen en soms eenzaam te zijn.” Toch is die perfectie wel vaak wat we uitdragen. De Trendrede spreekt van een perfectiemythe en stelt daarbij de vraag: wanneer is het goed genoeg? Wanneer ben ik goed genoeg? In het bijzonder jongeren zoeken zowel online (influencers) als offline (reallife) naar voorbeeldfiguren. Wat men over zichzelf prijsgeeft op internet wordt door de meesten weloverwogen om shaming te voorkomen. De succesverhalen en oppervlakkigheden voeren dan ook in de breedte van de samenleving de boventoon.

Hoopvol

Is het dan allemaal kommer en kwel, om pessimistisch van te worden? Nee, dat is niet het beeld dat ik graag uitdraag en zeker ook niet de bedoeling van mijn schrijven. Ik ben optimistisch ten aanzien van kansen en mogelijkheden voor geloven en kerk-zijn in deze tijd. Ik probeer dan ook niet op een veroordelende manier naar de trends te kijken, maar vooral te zien welke kansen er zijn voor Gods koninkrijk.
Het gevaar is dat we vanuit nostalgie gaan kijken en daardoor zomaar blind worden voor de parels van deze tijd. Juist in een tijd waarin er veel schijn is en perfectie als streven wordt opgelegd, komt er verlangen naar authenticiteit en kwetsbaarheid. De boeken van Brené Brown over kwetsbaarheid gaan als warme broodjes over de toonbank. Het verlangen naar een wereld waarin we authentiek en kwetsbaar durven zijn is groot. De Trendrede noemt onder meer authenticiteit en kans op mislukking als drukverlagende aspecten in de samenleving, wat een kans! Als we érgens de schone schijn buiten de deur mogen laten, dan is het wel in Gods huis, in zijn nabijheid. We belijden niet voor niks dat we Christus’ offer nodig hebben.

Ik heb Christus’ offer nodig omdat ik bij tijd en wijle schreeuw tegen mijn kinderen, egoïstisch ben in mijn huwelijk en mijn tijd liever besteed aan een film dan aan het opzoeken van iemand die mijn aandacht nodig heeft. Niet vanwege die unieke traktatie, de romantische verrassing voor m’n echtgenoot of de oproep voor ontwikkelingshulp die ik deel via Facebook. Wanneer ik mensen spreek in diverse gemeenten dan proef ik het verlangen om hierin met elkaar te groeien. Om ons falen en struikelen te willen en durven delen. Dat mag ons ook weer dichter bij God brengen.

Bindweefsel

Mooi vind ik dat de Trendrede een positieve beweging ziet als tegenhanger van de verbrokkeling van structuren en collectieven. Het wordt bindweefsel genoemd: mensen die elkaar opzoeken, die krachten samenbundelen juist om weer een nieuw ‘wij’ te creëren. Niet om terug te gaan naar wat was, maar om iets nieuws of vernieuwds op te bouwen waaraan we ons kunnen en willen verbinden. Mensen die reiken naar belangen die boven henzelf uitstijgen en die zich realiseren dat ze dat niet alleen kunnen noch willen. De Trendrede verwoordt het zo: “Er is niemand die een samenloze leving voorstaat. De mens alleen is nooit genoeg. Ergens leunt elk individu op de bijdrage van een ander. (…) We hebben het andere in de anderen nodig om vooruit te komen.” De opstellers van de Trendrede geven deze vraag mee: dragen we bij aan verbrokkeling of dragen we bij aan het grote geheel? En hun opdracht is: laten we boven onszelf uitstijgen, zodat we de eigen bijdrage zien in perspectief van het grote geheel en kunnen herijken op het gezamenlijke doel.

Ik denk dat we daarmee binnen de kerk ook uit de voeten kunnen. Wie zijn het bindweefsel binnen de eigen plaatselijke gemeente? Hebben we daar als leidinggevenden oog voor? En welk groter ‘wij’ houdt de Bijbel ons voor? Durven we daar onze eigen systemen en structuren op te toetsen? Eventueel zelfs voor op te geven?

Het vraagt moed om eerlijk naar onszelf te kijken, als persoon en als systeem. Het vraagt moed om onszelf en elkaar te bevragen op óf en hóé we bijdragen aan de verbrokkeling en/of het grote geheel. Het vraagt moed om te spreken over de imperfecties in ons bestaan. Van achter mijn bureau bid ik je daarbij Gods Geest toe van kracht, liefde en bezonnenheid. En mocht je het fijn vinden om eens op bovenstaande punten bevraagd te worden dan kom ik graag eens langs.

Dit artikel is gepubliceerd in Dienst.

Moniek Mol

Moniek Mol

Weet als enthousiaste en gedreven adviseur de verschillende kanten van een zaak te belichten. Heeft door diverse banen binnen kerkelijk én niet-kerkelijk jeugdland een brede kijk op verscheidenheid van generaties. Houdt van Zijn kerk en wil graag bijdragen aan een bloeiend Koninkrijk. Wil Hem volgen en ziet dit als een groot avontuur. Mail Moniek
Moniek Mol

Latest posts by Moniek Mol (see all)