Als de doop vrijheid belooft, hoe zit het dan met de wet en met de manier waarop het christelijk leven vorm krijgt. Dat is een samenvatting van een vraag via de mail naar aanleiding van mijn vorige artikeltje. En de vraagstellers maakten ook duidelijk dat ze een tegenstelling proefden tussen de boodschap van Pasen, en van de doop en de praktijk van het kerkelijk leven in de GKv van de plaats waar ze lid zijn. Goed om over na te denken. Ik denk ook aan wat Jacobus schrijft in zijn brief. Hij heeft het over de wet die vrijheid brengt. (Jac 2: 12). Wat gaat er dan mis als we bij de wet onvrijheid ervaren? En kun je daarover nadenken zonder in te gaan op de situatie in de gemeente van de vraagstellers?

Behoefte aan duidelijkheid

Daar zit nog iets anders aan vast. Ook daar wijzen de vraagstellers op. We kennen tegenwoordig de wet in nieuwtestamentische bewoordingen. Ds. Jan Boersma heeft op zijn website er een heel aantal van verzameld. (www.janboersma.nl) in veel gemeenten worden die in de morgendienst gelezen. Het mooie is dat het helpt om Gods gebod dichtbij te brengen. Maar, zeggen de mailers, het roept daarmee tegelijk weerstand op. Wil ik die duidelijkheid wel?

Als ik een aantal van die weergaven van de decaloog in eigen woorden doorneem, valt me op hoe vaak er een stuk uitleg in meegenomen is. Neem het vierde gebod. Dat gaat, in het Oude Testament, over de sabbat, de zevende dag van de week. En bijna vanzelfsprekend wordt de wissel genomen naar de zondag, de eerste dag van de week. Alleen in de versie van ds. Henk de Jong (NGK) zit een korte verantwoording: wij nemen het wezenlijke van de sabbat over door onder het nieuwe verbond een dag apart te zetten voor de viering van Christus’ overwinning. Het gaat mij er in dit artikel niet om een discussie over de vraag sabbat-zondag te heropenen. (Al heb ik wel het idee dat het gesprek gestopt is met de uitspraken van de generale synode binnen de GKv hierover rond de eeuwwisseling. De praktijk staat echter niet stil.) Het gaat mij wel om de soms merkwaardige aankondiging tijdens de kerkdienst: we luisteren naar de wet in nieuwtestamentische versie, terwijl het gewoon gaat om wat ds. X of professor Y ervan begrepen heeft. Mensenwoorden krijgen bijna goddelijk gezag en dat geeft kortsluiting. Want dan krijgt de onmisbare toepassing van de wet in onze eigen omstandigheden een plek die ze niet verdient. Voor de duidelijkheid: ik heb niets tegen de weergave van de wet in eigen woorden, ook niet voor gebruik tijdens de kerkdienst, maar wel veel tegen de pretentie waarmee menselijke woorden als de nieuwtestamentische versie van de wet aangekondigd worden.

Koninkrijksregels?

Er zijn een aantal gemeenten die in hun liturgie vermelden dat nu de koninkrijksregels naar voren komen. Op zich weer mooi gevonden. En het zegt ook weer iets over de wet die vrijheid brengt. Verlost door Christus mogen we al iets laten zien in ons leven van de toekomst van zijn rijk. Waar ik dan over na ga denken is het woord regels. Daar voel ik weerstand. Met het woordenboek in de hand kun je zeggen dat regels normen zijn en normen regels. En zeker in oud kerkelijk spraakgebruik speelt dat een rol. Toch hoor ik een verschil tussen normen en regels. De norm voor het verkeer bijvoorbeeld dat je de veiligheid van een ander niet in gevaar mag brengen leidt onder andere tot de regel van de maximumsnelheid. Tachtig is prachtig. Maar in Duitsland denken ze daar wat anders over. Daar is honderd mooi, op binnenwegen. Een regel heeft iets willekeurigs, en vraagt tegelijk erom je verstand te gebruiken. En maximumsnelheid is niet gelijk aan een minimumsnelheid. Hoe hard je rijdt, hangt ook van de omstandigheden af. En regels worden opeens regeltjes als we de zin ervan niet meer zien. Daarom vind ik het belangrijk om het niveauverschil te blijven zien tussen regels en normen. Juist in de beleving van de vrijheid. Dat is ook in de lijn van de Heidelbergse Catechismus die bij de behandeling van de tien geboden laat zien dat de toepassing ervan veel verder gaat dan de woorden strikt genomen zeggen. De catechismus behandelt de geboden als norm: als God doodslag verbiedt, gaat dat gebod ook over een ander wegtreiteren, of belachelijk maken via de sociale media. Wie dit opzoekt in zondag 40 HC vindt die voorbeelden niet, maar wordt wel geprikkeld om het zesde gebod zo toe te passen. Kortom: de aanduiding koninkrijkregels heeft mooie dingen in zich, maar ik wantrouw het woord regels. Dat blijft wat aan de oppervlakte hangen.

Tot vrijheid geroepen

Hoe ervaar je de wet? In dit artikel gaat het mij erom dat het erop aankomt, hoe je als christenen binnen de kerkdienst en daarbuiten daarover spreekt. Als Jacobus het heeft over de wet die vrijheid brengt, mag je als christen voor de vrijheid kiezen. Het Nieuwe Testament heeft het dan ook over de mondigheid van de gelovigen. Iets daarvan is in het Oude Testament al aangekondigd in het antwoord van Elisa op de vraag van Naäman: wat moet ik doen als ik met de koning naar de afgodentempel moet en ik wel met hem moet meebuigen? Als ik zo’n vraag zou krijgen, had ik vast een heel concreet antwoord gegeven. Maar Elisa zegt: ga in vrede. En David, van wie je mag aannemen dat hij de decaloog wel kende, vraagt toch in Psalm 25: Heer, maak mij Uw wegen door uw woord en Geest bekend. Voor ons: gebruik je verstand, je levenservaring, spreek erover met medegelovigen en ga zo biddend je weg aan de hand van de normen die de Heer meegeeft. In dat gesprek met je medegelovigen komt het erop aan dat je de vrijheid van de ander ook respecteert. Onze Heiland wordt kwaad als hij merkt hoe de leidslieden in Israël de mensen hun eigen ideeën oplegden. Ik vermoed dat hier bewustwording nodig is voor veel christenen dat we in die vrijheid leven en daarmee al zoekend onze weg gaan. Niet gemakkelijk, maar wel prachtig.

Zelfkennis

De vragen kwamen naar aanleiding van een artikeltje over de betekenis van Pasen. En daarmee stel je diepere zaken aan de orden dan letten op het taalgebruik binnen de kerk. Hoe belangrijk dat ook is, in verband met de indruk die je vestigt, het gaat in een diepere zin om de relatie met Christus en hoe je daarin jezelf kent. De vrijheid die je mag vieren in Hem, en die je beloofd wordt in de doop, is toch in de eerste plaats een vrijheid van je eigen slechte gewoontes waaruit je uit jezelf niet los kon komen. Het is de bevrijding van de last van de schuld tegenover God en mensen. Het die vrijheid die je beleeft in het al zoekend je weg gaan als Christen in deze tijd en in deze wereld. In de vormgeving van het christelijk leven gaat het niet om wat tegenwoordig binnen de kerken correct is, maar om het beleven van die vrijheid. Ik ken mezelf genoeg om te weten dat ik daarbij soms/vaak een corrigerend woord van een ander nodig heb, dat op dat moment geen vreugde brengt (zie Hebreeën 12). Zonder die wonderlijke ervaring dat je met Christus gestorven en opgestaan bent, verval je snel in moralisme dat de ander regels oplegt of in losbandigheid die van geen rekening houden met anderen wil weten.

Dit artikel is gepubliceerd in de GEREFORMEERDE KERKBODE van Groningen, Fryslan en Drenthe van 14 april 2018. Voor abonnementen of informatie: Stuur een mail naar kerkbode@scholma.nl

Jan Kuiper

Jan Kuiper

Onderzoeker at Praktijkcentrum
Als eindredacteur verantwoordelijk voor artikelen voor werkers in de kerk. Wil hiermee een brug slaan van de bijbel naar de praktijk. Brengt hiervoor zijn ervaring als predikant in en zijn ervaring in projectmanagement. Heeft graag zicht op het grotere geheel. Schrijft het kerkelijk jaaroverzicht voor Handboek Gereformeerde Kerken. Mail of bel (038) 42 555 18
Jan Kuiper
Jan Kuiper

Latest posts by Jan Kuiper (see all)