Het tij is aan het keren: het individu dat de maat van alle dingen was, wordt langzamerhand verdrongen door de gemeenschap. Dat lijkt mooi, maar er zijn wel wat kanttekeningen bij te plaatsen. De nieuwe gemeenschap bestaat vooral uit min of meer gelijke mensen, en wie niet mee kan komen wordt buitengesloten.

Het lijkt wel alsof de hoogtijdagen van het autonome individu, dat voortdurend bezig is met de eigen ontplooiing, hun einde naderen. Met de komst van de participatiemaatschappij, de nieuwe nadruk op samen-doen, mantelzorgen, netwerken in de buurt en kwetsbare medeburgers helpen en beschermen, staat niet meer ‘ik’ centraal, maar ‘wij’. ‘Wij’ helpen elkaar, ‘wij’ delen met elkaar, ‘wij’ vormen de buurt en zorgen voor de leefbaarheid.
Waar is ‘ik’ gebleven? En waar is ‘wij’ zomaar ineens weer vandaan gekomen? En is ‘wij’ dan een veilige plaats om in te verblijven? Wie de geschiedenis nagaat, ziet dat het striven naar geluk eeuwenlang het karakter heeft gehad van voorkomen dat de ellende te groot zou worden, of te vaak onverwacht zou toeslaan. Deze wens naar beheersing van de bestaansonveiligheid bevorderde dat mensen elkaar zochten in gilden en maatschappelijke en religieuze samenwerkingsverbanden. Ontplooiing van het ‘ik’ vond vooral plaats voor zover dat ‘ik’ zich in dienst wilde stellen van het ‘wij’ van de gemeenschap.

Coöperaties
Hoogleraar sociale en economische geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht Tine de Moor gaf in haar oratie Homo Cooperans daarover een fraaie historische schets met doorkijkjes naar de actualiteit. De Moor beschrijft hoe mensen zich opnieuw organiseren in coöperaties om groene energie op te wekken, in broodfondsen van ZZP-ers om elkaar bij te staan in geval van ziekte, en hoe mensen nieuwe zorg-coöperaties oprichten.
De markt en de overheid laten zaken liggen of schuiven de verantwoordelijkheden van zich weg. Burgers pakken die weer op en dichten zo zelf de gaten, of geven zichzelf meer stuurmogelijkheden zodat zij waarden kunnen nastreven die zij van belang vinden. De Moor wijst er daarbij overigens op dat die initiatieven niet altijd geboren worden op grond van wensen. Zo verenigen ZZP-ers zich omdat veel van hen te weinig verdienen of te kwetsbaar zijn om het langdurig zelfstandig vol te houden. Hoogleraar Evelien Tonkens vraagt met enige regelmaat aandacht voor deze achterkant van transitie waarin Nederland en de westerse wereld zich bevindt. En met enige regelmaat publiceren tijdschriften verhalen over de klem waarin familieleden zitten die verantwoordelijk zijn voor de mantelzorg van oude ouders of familieleden. Het ’ik’ van de zelfontplooiing als hoogste vorm van geluk is eigenlijk relatief jong. Pas na de Franse revolutie (met de leuze Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap) kwam er aandacht voor de zelfontplooiing al in dit aardse bestaan, en ook voor grotere groepen mensen.
De wens tot zelfontplooiing leek zijn hoogtepunt te hebben gehad rond van de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw. Toen ontworstelden de babyboomers zich van inperkingen op het terrain van genot, seksualiteit, relatievorming en sociale klasse.
In plaats daarvan kon je door hard studeren, therapie, wisselende relaties en ‘luisteren naar jezelf’ steeds verder komen in ‘worden wie je bent’, in de vormgeving van je eigen geluk.
De zorg voor de ander werd veranderd in zorgen dat de ander voor zichzelf kon zorgen. Zorgen voor ander was veel te betuttelend. Hoogleraar andragologie Arjo Nijk betoogde in 1978 nog wel dat zelfontplooiing een mythische component had, omdat niet iedereen even goed in staat was zichzelf te ontplooien en omdat ieder ‘zelf’ toch ook weer maatschappelijk bepaald was. Maar de andragologie was geen vrolijke wetenschap en ging al snel ten onder aan gekrakeel en interne tegenstrijdigheden.
Het ‘ik’ kon rustig doorgaan zichzelf te ontplooien. Maar toen onthulde de humanist Harry Kunneman rond 2005 ‘het Dikke IK’, het ‘ik’ dat consumeert, dat zichzelf buiten reële properties opblaast en zich afsluit voor de ellende van anderen.

Wie in deze nieuw prestatiemaatschappij faalt, heeft dat aan zichzelf te wijten

Dit ‘Dikke IK’ werd zo tot een van de pijlers onder het nieuwe beleid van participatie: burgers moeten niet primair voor zichzelf gaan maar ook oog hebben voor de naaste in de familiekring, het trappenhuis en de buurt. Daarmee konden dan ook de noodzakelijke bezuinigingen in het sociaal en zorgstelsel worden doorgevoerd: bezuinigingen die nodig waren vanwege de veranderende demografische samenstelling van de bevolking en de verslechterende economische vooruitzichten.

Meritocratie
En dan komt het ‘wij’ in beeld. ‘Wij’ wordt een nieuwe maat voor de ontplooiing van ‘ik’: een goed ontplooid ‘ik’ kent de verantwoordelijkheid voor ‘wij’. In ieder geval, wanneer we te weinig geld hebben om de zorg voor ‘wij’ bij anderen in te kopen.
Is ‘wij’ nu een veilige plaats geworden om in te verblijven, al dan niet ingekocht? Twee ontwikkelingen geven daarover te denken. De eerste is de armoede in combinatie met de problemen die de meritocratie met zich meebrengt. In een meritocratie worde mensen beloond op basis van prestaties.
Volgens een rapportage uit 2014 van het Sociaal Cultureel Planbureau ontstaat door de meritocratie een toenemend risico dat lager en middelbaar opgeleide groepen het economisch moeilijker krijgen: zij ontvangen geringe betaling en lopen een groter risico om langdurig tijdelijke contracten te moeten combineren met perioden van werkloosheid.
En mensen met lagere inkomens zijn kwetsbaarder voor armoede en hebben minder buffers om zware tijden door te komen (Wildeboer Schut & Hoff, Een lang tekort). ‘Wij’ is dus slechts veilig zolang de mensen die deelnemen in dat ‘wij’ weinig financiële risico’s lopen.

Permanente ontwikkeling
De tweede ontwikkeling beschrijft de filosoof Byung-Chul Han in zijn boek Psychopolitiek. Volgens Han heeft er in de moderne kapitalistische samenleving een bijzondere ontwikkeling plaatsgevonden. Door onze wens om steeds meer te consumeren, te genieten van de overvloed die voorhanden is, kiezen we er zelf voor om ons blijvend te ontplooien en ontwikkelen. Want slechts door permanente ontwikkeling blijven we voldoende koopkracht en gezondheid houden, blijven we interessant voor de arbeidsmarkt en onze liefdespartners.
Wie in deze nieuwe prestatiemaatschappij faalt, heeft dat aan zichzelf te wijten en schaamt zich daarover. ‘Wij’ is dus slechts veilig zolang de deelnemers aan ‘wij’ zelf gezond zijn. Is dat niet het geval, dan kan de druk van de zorg voor anderen zo groot worden dat de deelnemers aan het ‘wij’ zichzelf niet meer kunnen ontwikkelen en daardoor uit de boot kunnen vallen.
Het succes van de participatiemaatschappij staat of valt dus met de rijkdom en gezondheid van de mensen die ‘wij’ vormen.

Het ‘Dikke IK’ werd een pijler onder het participatiebeleid

Een teveel aan zwakke en zieke en niet-productieve deelnemers aan ‘wij’ zal de participatie onder druk zetten en de gewenste solidariteit onder druk zetten.
En bij een afgebroken verzorgingsstaat is er dan niemand meer die nog zorgt voor wat kwetsbaar en onaanzienlijk is.

Zelfgekozen niet-ontplooiing
Afrikaanse en Aziatische christenen bidden voor Westerse christenen. Of wij het mogen volhouden in de verleidingen van geld, genot en bezit. Of wij de naaste mogen blijven zien. Of we niet door de Mammon in bezit worden genomen. Of we kunnen kiezen om zelfontplooiing niet via ‘ik’ te doen, maar via ‘wij’ en zelfs via ‘zij’.
Wie niet ‘wij’ is en ook niet ‘ik’ is, is ‘zij’. De ander die er niet bij hoort, die niet wil meedoen, die niet beschermt maar verwijt, die niet meedraagt maar zich misdraagt. En soms is ‘zij’ vooral ‘het’: ‘Het’ vluchtelingenvraagstuk, het Down-beleid, het voltooide leven.
En de spannende vraag is dan of ‘wij’ het aandurven en of ‘ik’ het aandurf om zelfgekozen niet-ontplooiing te overwegen als vorm van navolging van de Heer die Zich niet ontplooide, maar ontledigde en de gestalte van een dienstknecht aannam.

Dit artikel is geschreven door Henk Geertsema en gepubliceerd in het Christelijk Weekblad van 15 april 2016. Beeld Wikicommons ‘Vluchtelingen horen vaak niet bij een ‘wij’ maar bij een ‘zij’. Deze vluchtelingen wachten bij de grens van Macedonië.’

Henk Geertsema
Is verantwoordelijk voor de afstemming van de vragen uit de kerken, uit de theologische opleidingen en van de adviseurs en onderzoekers. Dienst aan de kerken in praktische zin in combinatie met dienst aan de (wetenschappelijke en praktische) doordenking van ons leven als volgeling van Jezus Christus. Met elkaar onderweg naar het nieuwe Koninkrijk van God, geleid door de Geest onder een open hemel. mail Henk
Henk Geertsema