Bij een van mijn preekbeurten had ik Petrus bij me. Dat was de naam van de oude Mercedes W123 van mijn zoon. Die had hem zo genoemd omdat die niet op water liep. Integendeel, Petrus was goed van innemen: 1 op 6. (Mijn zoon, musicus van beroep, gebruikte die old-timer omdat zijn synthesizer met pianoklavier gewoon op de achterbank paste). Maar het leverde mij wel opmerkingen op: een voorganger in een Mercedes? Al was het er een uit 1978, het paste niet bij elkaar. Het was als grapje bedoeld, en tegelijk legde het een overtuiging bloot: zonder zorg van het evangelie kunnen leven is nog iets anders dan in weelde. Ik was toen al geen predikant meer van een gemeente, maar de opmerking liet wel even merken dat het traktement van een predikant een behoorlijk groot deel van de kerkelijke begroting opslokt. Zeker nu ze behoorlijk op peil zijn.

Dure schoenen

Niet overal wordt dezelfde bescheidenheid verwacht. In kerkelijke gemeenschappen die het welvaartsevangelie aanhangen, is het voor een predikant/voorganger belangrijk om te laten zien dat God hem ook buitengewoon gezegend heeft in materieel opzicht. Dan loop je bijvoorbeeld niet op goedkope schoenen van de Scapino, maar dan heb je sneakers van een duur merk in een exclusief ontwerp. Dat loopt in de honderden euro’s/dollars. Het lijken Amerikaanse toestanden, maar op CIP werd een hele discussie gevoerd over hetzelfde verschijnsel in Nederland. Dat welvaartsevangelie blijkt vooral voor sommige voorgangers te gelden en er zijn gemeenten die de leden stevig laten betalen, met de suggestie dat God zegent wie veel geeft en dat je er niet minder van wordt. Nu geloof ik ook zeker dat je niet minder wordt van geven, maar ‘zegen’ in dit verband is dan wel een dikke bankrekening. Heel die discussie is op de website te volgen en ik schrok van het manipulatieve aspect dat er in doorklinkt. In de sfeer van zo’n dienst word je bijna meegezogen om ook je portemonnee of bankrekening te legen. En achteraf blijkt het toch tegen te vallen met die materiële zegen en mensen knappen erop af. De artikelen noemen mensen die tienduizenden euro’s op die manier kwijtgeraakt zijn. En die het niet konden missen.

Er zijn een paar aspecten die de aandacht vragen hierbij: wat is veel of weinig geven en, in verband met de artikelenreeks op CIP, hoe zit het met de tienden.

Twee muntjes

De Heer Jezus zag eens in de tempel, hoe een arme weduwe twee muntjes in de offerkist liet vallen. En Hij prees haar: zij gaf van haar armoede, terwijl veel mensen geven van hun overvloed. (Lucas 21: 1,2). Bij dat laatste moest ik denken aan iets wat dr. R.H.Bremmer mij ooit vertelde. De kerk had een tekort van een aantal duizenden guldens. Het was rond 1960. En hij werd erop uitgestuurd om bij de rijkere gemeenteleden om geld te vragen. Dat waren er niet veel: Enschede was een stad met veel textielarbeiders en die zag je ook in de kerk. Maar bij het eerste adres ging de portefeuille open en het benodigde aantal briefjes van duizend kwam tevoorschijn. Dr. Bremmer was klaar en de mensen misten het niet eens. Geven van je overvloed. Met alle respect voor het buitengewoon gulle gebaar overigens. Daarnaast waren er die tientallen anderen die gaven van hun karige inkomen en al die bedragjes waren net zo welkom bij de boekhouder. Ik weet nog hoe de koster van Enschede-noord elke maand bij mijn ouders langs kwam om de vaste vrijwillige bijdrage te innen. Dan kreeg je weer een knipje in de kaart, als teken dat de toezegging voldaan was. En als gewoon gezin was je je ervan bewust dat je niet gaf van je overvloed, maar dat geven voor de kerk (en de vele andere goede christelijke doelen) een hap neemt uit je levensonderhoud. Het had ook een opvoedkundig aspect: als kind zagen we wat onze ouders voor de kerk over hadden.

Feest vieren

In christelijk Nederland zingt rond dat je zo’n tien procent van je inkomen moet geven aan de kerk, gebaseerd op de wetgeving voor Israël. Ik blijf me daarover verbazen. Niet alleen vanwege de geringe populariteit van het Oude Testament bij veel evangelische stromingen. (Is niet alles vervuld, in de zin van afgeschaft?) Waarom dan dat ene aspect van de wetgeving eruit gevist omdat het je goed uitkomt voor de financiën van de gemeente? Maar ook omdat het bij de tienden in die oude wetgeving om andere zaken gaat. Er zijn hierbij twee Bijbelgedeelten van belang. Numeri 18 en Deuteronomium 12. In Numeri gaat het erom dat je als gewone Israëliet leert om een tiende van je inkomen af te staan voor de priester en de leviet, die zelf geen landbezit hadden en dus geen levensonderhoud. Maar in Deuteronomium gaat het erom dat je die tiende gebruikt om samen met hen, en met de weduwe en de arme, feest te vieren op de plaats van de samenkomst. In die tien procent gaat het om de erkenning dat alles wat je hebt van de Heer is en in Zijn dienst besteed moet worden. Ook die andere negentig procent. Daarover valt veel meer te zeggen, maar voor dit artikel is het genoeg om aan te geven dat er geen Bijbelse richtlijn is voor het percentage dat je geeft aan de kerk en/of christelijke doelen. Wil je er toch iets Bijbels over zeggen, denk dan aan 2 Korinte 9, 7: ‘Laat ieder zo veel geven als hij zelf besloten heeft, zonder tegenzin of dwang, want God heeft lief wie blijmoedig geeft’. Met de belofte erbij dat je niet bang hoeft te zijn dat het je in problemen brengt…

Visserskunst

Het bovenstaande stukje zou passen bij wat dr. Abraham Kuyper in zijn behandeling van de ambtelijke vakken (tegenwoordig Praktische Theologie) visserskunst noemde. Hij gebruikte daarvoor een ander woord, uiteraard: halieutiek. Maar het betekent hetzelfde. De kerk heeft geld nodig en hoe overtuig je de mensen ervan dat het goed is daarvoor te geven. Geven voor de kerk lijkt vanzelfsprekend, maar in een boek over de kerkgeschiedenis van Groningen kwam ik tegen dat mensen maar geen belijdenis van het geloof aflegden, want daarna moest je je bijdrage aan de kerk leveren. Dat was de kerkelijke cultuur waarin Abraham Kuyper opgegroeid was.

Er is alle aanleiding om daar met elkaar weer eens goed over na te denken. Er is een tijd geweest dat de financiële bomen in de kerk tot de hemel groeiden. Landelijk komen we erachter dat dit allang niet meer zo is; opeenvolgende synoden in deze eeuw voeren een streng financieel beleid. Maar in de kerkblaadjes die ik volg, blijkt dat ook plaatselijk gemeentes in de knel komen. We lopen terug in ledental en dat betekent dat dezelfde lasten opgebracht moeten worden door steeds minder kerken. Merijn Wijma, werkzaam bij het Praktijkcentrum, heeft een tool ontwikkelt dat ook plaatselijke kerken kan helpen van dat ledental een prognose te maken. (zie https://www.praktijkcentrum.org/project/zin-in-de-toekomst-inzicht-in-toekomstige-ledentalontwikkeling-in-uw-gemeente/). Wat voor consequenties gaat dit allemaal krijgen? Wat kan plaatselijk allemaal en wat zijn daarbij je prioriteiten?

Geefcultuur

Daarnaast is er langzamerhand een andere geefcultuur gekomen. En dat heeft ook alles te maken met zichtbaarheid. Zie hierboven over de koster-bode van Enschede. Als kind zag ik dat mijn ouders voor de kerk veel over hadden en ook hoeveel. Tegenwoordig loopt er voor de bijdrage aan de kerk een automatische afschrijving. Dan moet je op een andere manier als ouders duidelijk maken dat geven voor de kerk erbij hoort – en welke plek het in je eigen uitgavenpatroon inneemt. Ik vang wel eens op dat het daar lang niet altijd van komt – en dat ook mensen die de kerk een warm hart toedragen dit aspect nog weleens over het hoofd zien.

Dit gegeven in combinatie met onder jonge mensen een dalende populariteit van instellingen in het algemeen en de kerk in het bijzonder maakt dat het tijd wordt om met elkaar dit alles onder ogen te zien. De alarmkreet van de boekhouder over rode cijfers gekoppeld aan een verwijzing naar je christenplicht om te geven is vaak niet meer voldoende. Wie zich daardoor aangesproken voelt, geeft waarschijnlijk al. Het zou kunnen betekenen dat je als kerk moet snijden in de mensen die je in dienst hebt en/of in de gebouwen. Ook daarover vang ik signalen op dat dit soort pijnlijke ingrepen al werkelijkheid worden. Dat vraagt veel wijsheid van de kerkenraden en empathie voor de mensen om wie het gaat. Het is tegelijk een prikkel om te beseffen waar het in de kerk om gaat: het is geen dienstenbureau met (on)tevreden klanten, maar lichaam van de Heer.

Dit artikel is gepubliceerd in de GEREFORMEERDE KERKBODE van Groningen, Fryslan en Drenthe van 27 juli 2019. Voor abonnementen of informatie: Stuur een mail naar kerkbode@scholma.nl

Jan Kuiper

Jan Kuiper

Onderzoeker at Praktijkcentrum
Als eindredacteur verantwoordelijk voor artikelen voor werkers in de kerk. Wil hiermee een brug slaan van de bijbel naar de praktijk. Brengt hiervoor zijn ervaring als predikant in en zijn ervaring in projectmanagement. Heeft graag zicht op het grotere geheel. Schrijft het kerkelijk jaaroverzicht voor Handboek Gereformeerde Kerken. Mail of bel (038) 42 555 18
Jan Kuiper
Jan Kuiper

Latest posts by Jan Kuiper (see all)