Elkaar ergens op aanspreken? Niet doen! Dat was ongeveer het advies in een artikel over omgangsvormen in een organisatie. Het bederft de onderlinge sfeer. Voorbeeld: Als iemand stelselmatig te laat komt voor een vergadering en je zegt er wat van, komt hij de volgende keer nog iets later te laat. Je trekt je toch zeker niets aan van je collega’s? Voormalig minister Pieter Winsemius gaf naar verluidt aan voorzitters de raad gewoon op tijd te beginnen, hoe belangrijk de telaatkomer ook is en hoe graag hij ook zijn belangrijkheid wil onderstrepen met het gehaast binnenkomen, daarmee de indruk wekkend dat er nog iets belangrijker was dan de bijeenkomst waar hij verwacht wordt. Dat is ook een manier van elkaar aanspreken, zonder woorden en volgens hem is het ook effectief.

Tucht

In de kerk kennen we tucht, die volgens een oude catechisatiemethode (de Weg, jaren zeventig) begint met zelftucht, verder gaat in onderlinge tucht en soms, als dat allemaal niet helpt, uitmondt in ambtelijke tucht. Het is zelfs een kenmerk van de ware kerk, volgens Artikel 29 van de Nederlandse geloofsbelijdenis. Dus iets waaraan je een echte kerk kunt herkennen. En dat levert spanning op. Is het geen bemoeizucht? Waar haalt die ander het lef vandaan om iets van mijn gedrag of opvattingen te vinden? Doet hij of zij het zoveel beter dan? Elkaar ergens op aanspreken is ook in de kerk niet populair. Zeker niet als dit confronterend gebeurt.

Allerlei vraagstukken van de tijd waarin we leven komen er nu in mee. Is de Bijbel wel zo eenduidig als we tot nu toe allemaal dachten? Er blijkt meer ruimte te zijn dan vroeger wel eens gedacht voor verschil van mening en praktijk, maar zijn er nog ergens grenzen? Of is de enge grens die je kunt hanteren dezelfde als de moraal in de samenleving: alles mag, mits je elkaar geen schade toebrengt. Voor de kindermisbruiker heeft niemand begrip. Dit artikel is ook niet bedoeld om wel begrip voor misbruik te vragen, laat dat duidelijk zijn. Maar om aan het denken te zetten: wat doen we met de spiegel die we als kerk onszelf voorhouden in het boven vermelde artikel 29 van de geloofsbelijdenis, een belijdenis die elke ambtsdrager binnen de gereformeerde kerken onderschrijft?

Tegenspraak

Een voorbeeld uit de Bijbel dat er op het eerste gezicht niets mee te maken heeft. Het volk Israël is gedeporteerd naar Babel. Psalm 137 geeft hun gevoel daarbij weer.  Ze willen niet thuis raken in hun nieuwe omgeving. En ze roepen om wraak. Een psalm die enerzijds heel veel herkenning oproept, bij mensen die ook gedeporteerd zijn bijvoorbeeld: de Afrikanen die slaaf gemaakt werden aan de andere kant van de oceaan. En tegelijk ook veel afkeer. Kun je zo om wraak roepen? Kun je zo’n psalm opgeven als voorganger, en dan meezingen als gemeentelid?

Maar dan komt er een profeet. Zijn woorden zijn te vinden in het boek Jesaja, vanaf hoofdstuk 40. Jullie lijdenstijd is voorbij. Je hebt een God die ziet wat er gebeurt. Jullie weg is voor de Heer niet verborgen. En de profeet put zich uit in een beschrijving van de almacht van God. Hij weet zich daarbij door God gestuurd. Later blijkt het ook te gaan over de heraut van Jezus: Johannes de Doper. Maar eerst hoorden die ballingen in Babel deze woorden.

Als je tegenwoordig ambtsdrager bent, of pastoraal bezoeker, zou je dat dan durven? Mensen die in de put zitten, moeilijke dingen meemaken, wijzen op de almacht van God? Of probeer je mee te luisteren en is je eerste boodschap misschien dat God het allemaal wel ziet en begrijpt? Je kunt toch niet zomaar zingen: wat God doet dat is welgedaan, of een van de vele variaties daarop die verraden dat in ieder geval in vroeger tijd de belijdenis van Gods almacht veel mensen erboven op hielp.

De profeet en de ambtsdrager

Je komt in de Bijbel veel profeten tegen, maar een kenmerk van een echte lijkt te zijn dat hij of zij (Debora, Hulda) de mensen niet naar de mond praat. Ze wijzen de mensen op dingen die gewoon verkeerd zijn en hebben daarbij een breder spectrum dan seks en zondagsbesteding, onderwerpen die gereformeerde kerkenraden veel werk bezorgden in het (nog recente) verleden. Maar de vergelijking van Jesaja 40 met Psalm 137 laat ook zien dat de tegenspraak ook over heel positieve dingen gaat. Hij komt met een voor de mensen van toen heel relevante boodschap: er breken andere, betere tijden aan! Maar sloot die aan bij hun belevingswereld?

Dat is de waarde van ambtsdragers. Bij de start van hun werk zeggen ze ja op de vraag of ze zich door de gemeente en op die manier door God geroepen weten. Hun werk heeft altijd de confrontatie in zich. Je mag de gemeenteleden tegemoetkomen met het evangelie van Christus.

Bij pastoraat wordt er vaak onderscheid gemaakt tussen kerygmatisch pastoraat: de ambtsdrager als heraut die het je komt aanzeggen, en therapeutisch pastoraat: hij of zij denkt met je mee en probeert je op die manier te laten delen in het heil van Christus. Een belangrijke ontwikkeling die ruimte maakt voor het proces dat de heilige Geest in gang zet en je ertoe brengt het evangelie te omarmen. Toch zit er altijd ook die profetische kant bij. En als mens heb je telkens weer nodig dat je erkent hoe belangrijk dat is. Nog even terugkomen op het voorbeeld aan het begin: het laat zien dat niemand er uit zichzelf op zit te wachten dat een ander je aanspreekt. Maar het is het wonder van het evangelie dat God je aanspreekt door de dienst van mensen en tegelijk het oordeel over je leven wegneemt in zijn eigen Zoon.

De gemeente en de ambtsdrager

Het is al diverse keren geconstateerd: op synodes en in onderzoeken: de vrijgemaakte kerken schuiven in hun kerkrecht op in de richting van het congregationalisme. Meer bewegingsvrijheid voor de plaatselijke kerk en het kerkverband schuift naar achteren. Lang was dit een punt van gesprek met de Nederlands gereformeerde kerken die al vanaf het begin meer op die lijn zaten, maar het lijkt nu geen kerkscheidend punt meer te zijn. We zijn naar elkaar toegegroeid.

En dan is het, in het kader van dit artikel, even opletten. Want in de ‘zuivere‘ vorm van het congregationalisme heeft de gemeente(vergadering) het beslissende woord en is de kerkenraad gewoon een soort bestuur dat de besluiten van dat hoogste orgaan uitvoert. Het ambt is dan een functie geworden en het tegenover van het ambt verdwijnt.

Nu gaat het er mij niet om dat een kerkenraad op zijn strepen moet gaan staan; dat pakt bijna altijd verkeerd uit. Opvallend in het gesprek over de vraag of je plaatselijk ook vrouwen in de ambten gaat benoemen, is juist de zorgvuldigheid waarbij gemeentebreed het gesprek gevoerd wordt. En niet alleen op dit punt. Laat mensen meepraten waar het kan, zodat besluiten ook breed gedragen worden.

Maar het is tegelijk ook een uitdaging om te blijven beseffen dat in het tegenover van het evangelie juist de kracht ervan zit. Dat vraagt zelfkennis: hoe ontvang ik hem of haar? En het vraagt ook bewustzijn van de andere kant: weet je op pad gestuurd door Christus zelf. Een nieuwe ontwikkeling die vraagt om een opnieuw doordenken van de waarde van het ambt.

Dit artikel is gepubliceerd in de GEREFORMEERDE KERKBODE van Groningen, Fryslan en Drenthe van 28 september 2019. Voor abonnementen of informatie: Stuur een mail naar kerkbode@scholma.nl

Jan Kuiper

Jan Kuiper

Onderzoeker at Praktijkcentrum
Als eindredacteur verantwoordelijk voor artikelen voor werkers in de kerk. Wil hiermee een brug slaan van de bijbel naar de praktijk. Brengt hiervoor zijn ervaring als predikant in en zijn ervaring in projectmanagement. Heeft graag zicht op het grotere geheel. Schrijft het kerkelijk jaaroverzicht voor Handboek Gereformeerde Kerken. Mail of bel (038) 42 555 18
Jan Kuiper
Jan Kuiper

Latest posts by Jan Kuiper (see all)