Samen kerkzijn vandaag

Het coronavirus verandert heel radicaal de manieren waarop mensen hun verbondenheid uiten. Het is al een bekend woord geworden: de anderhalve meter-samenleving. Houd afstand. Ook van mensen die je kent en van wie je houdt. Tegelijk ontstaan nieuwe manieren van contact. Manieren die op zich allemaal prachtig zijn, maar die het gemis in feite onderstrepen: je kunt beeldbellen met je kleindochter, maar haar geen knuffel geven. Maar misschien ga je via het digitale medium wel meer dingen met elkaar delen dan voor die tijd. Het gemis zet een streep onder de verbondenheid.

Ook voor kerken die met elkaar een verband vormen, veranderen de normale manieren om elkaar te ontmoeten. De combivergadering van de Landelijke vergadering van de Nederlands Gereformeerde Kerken en de generale synode van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt vergadert pas weer vanaf september, is nu de verwachting. En dichterbij gaan classisvergaderingen en regiovergaderingen niet door. Ligt het kerkverband nu plat? Of krijgt het misschien een nieuwe kans? Welke streep is de huidige toestand door welke rekening?

Kerkverband en kerkverband

Je kunt bij dat woord kerkverband denken aan de organisatiestructuur waarin kerken elkaar ontmoeten. Eerst op de classis en uiteindelijk – we blijven even in Nederland – in landelijke vergaderingen. Kenmerk van die vergaderingen is dat ze heel sterk op de agenda moeten letten: ook op de laatste synode werd een stuk niet in behandeling genomen omdat het niet via de classis naar de synode toekwam. Mijn catechisanten hield ik lang geleden voor: een classis of synode bedenkt eerst waarom ze iets niet hoeft te behandelen. Heel effectief om de vergaderingen kort te houden: als voorzitter heb ik begin jaren tachtig wel eens een classisvergadering moeten rekken, anders bleef de koster met de koffie zitten.

Dat is ook het kerkverband: kerken en kerkleden vinden elkaar, ze vormen samen een lichaam.

De laatste jaren merk ik aan de publieksverslagen van de classisvergaderingen dat ze een heel ander karakter krijgen. Inhoudelijk komen allerlei zaken aan de orde die spelen in de tijd waarin we leven. Er wordt doorgepraat over wat kerken bezighoudt en hoe je kunt leren van de aanpak van de een naast die van de ander. Veel classes hebben het bijvoorbeeld gehad over de vraag hoe kerken omgaan met de verschuivingen rond het huwelijk. Het kerkverband blijkt ook een andere kant te hebben dan een strikt formele. Het gaat over het samenleven van kerken met elkaar ook buiten de vergaderingen om. Hoe kun je elkaar helpen? Soms kom ik de classisband tegen: lang niet iedere kerk heeft de mogelijkheid om meer vormen van begeleiding aan te bieden dan het orgel of een ander toetsinstrument. Maar zo’n classisband kan in een aantal kerken dienstdoen. Of, nog simpeler: veel kerken kennen activiteiten voor ouderen. Maar dat kun je ook heel goed samendoen binnen het kerkverband, zeker als het om een aantal kleine gemeenten gaat. Dan zie je ook nog eens iemand anders. Dat is ook het kerkverband: kerken en kerkleden vinden elkaar, ze vormen samen een lichaam. Het organisatorische ligt stil, maar dat organisatorische is geen doel op zichzelf, maar dient het samenleven van kerken en kerkleden zelf.

Delen

En dat besef van onderlinge verbondenheid is juist in crisistijden heel belangrijk. Er zijn lokale kerken die prima in staat zijn hun eigen boontjes te doppen en zich daarom niet eens kunnen voorstellen dat andere gemeentes dat niet kunnen: de ene kerk heeft zelf allerlei mensen in huis die bijvoorbeeld prima een dienst kunnen opnemen, maar ik kwam ook een kerk van honderden leden tegen die daar moeite mee heeft.

Dat er een protocol beschikbaar is, betekent alleen maar dat elke kerk het op haar eigen plek moet toepassen.

In deze tijd van versoepeling van de maatregelen denken kerken na over hoe het eruit gaat zien na 1 juli. En niemand weet hoelang die tussentoestand gaat duren en of het allemaal weer wordt zoals het was. Dat vraagt om bezinning. Dat er een protocol beschikbaar is, betekent alleen maar dat elke kerk het op haar eigen plek moet toepassen. En er zijn zoveel meer vragen, rond de sacramenten, rond het jeugdwerk, rond pastoraat… Dat vraagt om het delen van goede praktijken en van ervaringen met experimenten. Dat is nodig, zou ik tegen de kerken willen zeggen die het zelf prima redden. Andere gemeenten kijken ernaar uit. Dat is misschien ook wel lastig: zoveel kerkhoofden, zoveel zinnen. Ben je er in eigen kring uit, begint het gesprek weer met anderen. En er zijn instellingen binnen de kerken die daarin een rol kunnen spelen en dat ook echt doen: Diaconaal Steunpunt, Praktijkcentrum, Steunpunt Kerkenwerk, … Niet vanuit bemoeizucht van bovenaf, maar om te helpen die verbinding met elkaar te leggen.

Lichaam van Christus

De basis hieronder ligt in de manier waarop het Nieuwe Testament spreekt over de kerk als lichaam van Christus. De ene keer gaat het over de lokale gemeente. Zo spreekt Paulus de kerkleden in Korinthe aan. Een andere keer heeft hij het over Christus als hoofd van zijn kerk en gaat het om het totaal. Zo in Kolossenzen 1. Daar horen de mensen bij die zijn lichaam eten: de viering van het avondmaal.

Het besef dat je hoort bij de kerk van alle tijden verrijkt het kerkzijn van de lokale kerk.

In de kerkelijke praktijk van de eerste tijd zie je ook die verbondenheid. In de collecte voor Jeruzalem bijvoorbeeld. Maar ook dat in Efeze de brief van Paulus aan Laodicea gelezen moet worden, en omgekeerd. In het gebed voor wie gevangen zit. In het aanvaarden van elkaars leden. Dus die principiële basis komt terug in de manier waarop kerken met elkaar omgaan. Het besef dat je hoort bij de kerk van alle tijden verrijkt het kerkzijn van de lokale kerk. Dat is nu typisch voor de kerk dat je in de kamer van de huisgemeente staat in de ruimte van de algemene kerk. En dat vraagt in deze tijd aandacht en dankbaarheid: je staat er niet alleen voor.

Een nieuwe agenda

Tegelijk is het goed te beseffen dat achter die vragen rond de goede praktijken allerlei meer diepgaande vragen liggen. Een paar voorbeelden. Het echte samenkomen is vervangen door het op een afstand meeleven met de kerkdienst via een beeldscherm. Hoe mooi ook, het blijft behelpen en het is vaak eenrichtingsverkeer. Het samenkomen op de zondag is echter altijd als het centrale punt van het kerkzijn gezien. Zondag 38 van de Heidelbergse catechismus vult zo het vierde gebod in. Maar wat betekent het als dit langere tijd niet of beperkt mag? Hoe ben je dan gemeente? Wat neem je in het nieuwe normaal, als dat nog een beetje lijkt op het oude, mee van de praktijken die je in die crisistijd ontwikkeld hebt? Dat vraagt bezinning op de centrale betekenis die de kerkdienst heeft gekregen – en dat moet je samen doen.

Wat neem je in het nieuwe normaal, als dat nog een beetje lijkt op het oude, mee van de praktijken die je in die crisistijd ontwikkeld hebt?

Dat geldt ook voor de betekenis van het ambt. Vier je avondmaal in deze tijd? Kunnen mensen meedoen vanuit die digitale omgeving? In de belijdenis wordt er aandacht aan gegeven dat ik de tekenen van brood en wijn ‘uit de hand van de dienaar ontvang’. Maar dat kan nu even niet. Zelfde discussie speelt bij de doop. Wie doopt er eigenlijk? De crisis versnelt de discussie rond het ambt, die er toch al was – en niet alleen rond de vraag of vrouwen ook een ambt mogen bekleden.

En ook op deze punten kun je het gesprek alleen samen voeren. Daar zit wat mij betreft niet een soort heimwee achter naar de tijd dat we het met elkaar binnen de vrijgemaakte kerken allemaal nog zo goed wisten en er een grote mate van uniformiteit was. De laatste jaren is er veel aandacht voor diversiteit. We zijn allemaal verschillend en we mogen dat ook zijn. Misschien helpt het ervaren van de crisis nu ook te convergeren: wat zie je in die diversiteit terug van de algemene, katholieke kerk en hoe uit zich dat in de praktijk?

Jan Kuiper
Neem contact op