Kom maar dichterbij

Reactie op het verschijnen van het rapport Kerk-zijn op afstand

Hoe moet het verder met de kerk? Hoe kijken we vooruit, nu onzekerheid de samenleving in zijn greep houdt? Wat blijft er over van ons samen kerk-zijn? Een vraag die hoe langer hoe meer gelovigen bezighoudt terwijl de crisis voortduurt.

Hoe moet het verder met de kerk?

Nu kunnen we die vraag volgens mij begrijpen als een angst: wat als er (bijna) niemand terugkomt? Die angst kan in zijn lokale context terecht zijn. Mogelijk hebben zij die deze vraag stellen al langer twijfels bij de vitaliteit van hun gemeenschap en is de coronacrisis de katalysator van het denkproces. Ergens is het ook wel veilig om een crisis en niet het eigen functioneren als kerkgemeenschap of diepere, trage vragen (spiritualiteit, inhoud en praktijk van eigen of gedeeld geloof) te bespreken. Wat overblijft is hard werken om te zorgen dat niemand de verbinding verliest: eenzaamheid bestrijden, omzien naar elkaar. Zou het genoeg zijn, nu we ons realiseren dat we elkaar juist ook nodig hebben om samen ons geloof te bezingen en te bespreken?

Hoe moet het verder met de kerk?

We kunnen de vraag begrijpen vanuit teleurstelling: eigenlijk heeft de vragensteller het al een beetje opgegeven. Deze crisis zal de dooddoener wel zijn. Men zit liever thuis op de bank dan in de kerk en dat zal wel zo blijven. Deze manier van denken verklaart echter niet dat men naar de eigen dienst blijft kijken en de eigen gemeenschap zo mist. Een thuisgelovige kan (ook al voor de crisis) te kust en te keur en maar heeft nu juist behoefte aan de ontmoeting met anderen. Met andere woorden: er is nog hoop voor al die lokale kerkgemeenschappen!

Hoe moet het verder met de kerk?

We kunnen de vraag ook beluisteren als een verlangen: we weten en willen al langere tijd (al dan niet bewust) dat onze kerk verandert. Hoe we geloven en wat we daarin benadrukken past niet altijd meer bij bestaande vormen. We zijn samen geroepen en aan elkaar verbonden. Vandaar dat we ons voor nu tevreden stellen (85%!) met een digitale dienst van onze eigen gemeenschap: het is het beste dat er is, soms de enige manier om ons geloof te delen met degenen aan wie we zijn verbonden. En als dat ons verlangen is, dan kunnen we er ook op hopen dat de crisis ten minste iets goeds voortbrengt: verlangen als de kiem voor verandering.

Volgens mij is dan nu de vraag: wie gaat er verder met de kerk?

Allereerst hoop en verwacht ik dat de Geest zijn weg wel zal gaan. En als we ons daarbij laten inschakelen dan zal dat vragen om ruimte op drie vlakken.

In de eerste plaats vraagt het om ruimte om te luisteren. Waar verlangen onze geloofsgenoten naar in de gemeenschap? Vervolgens is er ruimte nodig om te denken. Neem tijd voor bezinning en creativiteit. We kunnen echt nog wel een poosje doorgaan met online diensten en kleine groepen, als dat nodig is om energie te steken in verkenningsprocessen. Vervolgens vraagt het om ruimte om te proberen. Dat is dus ruimte voor pionieren, experimenteren, loslaten en opnieuw beginnen.

Wie gaat daarmee aan de slag?

We kijken in een crisis al gauw naar onze kartrekkers. Oudsten en voorgangers die (op zijn best) voor de crisis de boel draaiende wisten te houden. Maak niet de fout om zomaar te denken dat hen dat nu ook wel zal lukken. Zeker, ze zijn er. En er zullen ook oudsten en voorgangers zijn die juist nu opbloeien omdat zij ruimte ervaren en kunnen gebruiken.

Een heleboel oudsten en voorgangers zullen het echter net als hun gemeenteleden ongemakkelijk vinden, onduidelijk of onzeker. Dat waar zij goed in waren, waar zij hun gaven voor hadden, wordt niet altijd en niet op dezelfde manier weer gevraagd. De kerk na de crisis kan niet meer om het verlangen heen: mag het ook anders?

Zoek de pioniers, de kleine initiatieven, degenen die in alle onduidelijkheid toch zichtbaar bleven en het vuur brandend hielden. Geef ruimte en luister naar elkaar, laat je aansteken, bouw en breek desnoods weer af.

Het wordt niet meer zoals het was. De kern zal wel hetzelfde blijven: delen van wat gegeven is in woord en daad. De vorm mag besproken worden, de inhoud bevraagd. Onze peiling lees ik als een aanmoediging om vanuit wat zo gekoesterd wordt, te zoeken naar hoe we in de toekomst de kern doorgeven.

Jannet de Jong
Neem contact op