Gesprek over ‘God’

Van uitstel kwam geen afstel: belijdenisdiensten die in het voorjaar niet doorgingen, worden nu ingehaald. Fijn. Wie in deze kerkelijk magere tijden belijdenis doet, kiest heel bewust voor God. En dat laten de vaak jonge mensen ook merken. In één van de kerkblaadjes die ik lees voor de rubriek Praktijklokaal in Onderweg kwam ik een aantal mooie getuigenissen tegen over wie God voor hen is. Dat is iets om dankbaar voor te zijn.

Tegelijk viel me op dat Jezus niet genoemd werd. Tien jaar geleden was dat standaard: ik doe belijdenis; ik besef dat Jezus voor mijn zonden gestorven is. Merken we hierin een verschuiving? Hoe is de verhouding tussen je eigen belijden en dat van de kerk van alle eeuwen? Dat oude belijden spreekt nadrukkelijk over Jezus Christus.

Allergie

Als je daarover gaat nadenken, moet je stilstaan bij je eigen verhouding tot de Heer. Voor mij speelt daarbij een rol dat ik nogal eens mensen in de kerk tegenkwam die hun mond vol hadden over God – en precies wisten wat die vandaag van iets zou vinden –, maar als je hen dan beter leerde kennen was het ’puur projectie’, zoals een goede vriend het uitdrukte: hun eigen ideeën kwamen terug in hun Godsbeeld. En met dat zelf geconstrueerde beeld vielen ze andere kerkleden lastig, om het even vriendelijk uit te drukken. Denk ook aan de manier waarop ‘God’ gebruikt wordt in de politieke realiteit van de VS. Daar zit bij mij een allergie: als ik mensen het over ‘God’ hoor hebben, ben ik op mijn hoede. Over wie heb je het? Gaat de Bijbel open? Daarin laat Hij zich kennen.

De belijdenis als meetlat

Er is een tijd geweest dat niet alleen ik, maar velen in de kerk met mij, de belijdenis voor de dag gehaald zouden hebben als een soort meetlat voor het geloof van die ander: dat je het hebt over God, en niet over Vader, Zoon en heilige Geest, maakt je verdacht. Dat leidde tot een houding waarbij je niet met je eigen vragen naar buiten komt, maar al snel – op huisbezoek bijvoorbeeld – de verwachte en wenselijke antwoorden gaf. Maar wat iemand werkelijk bezighield, bleef onder de waterspiegel. Dat is overigens niet typisch gereformeerd; ook in evangelische kringen weet men daarvan. Waag het eens een afwijkende visie op Israël te hebben bijvoorbeeld. Er is dan een verborgen belijdenis die ook als meetlat functioneert. Je komt het ook tegen in bijvoorbeeld reacties op artikeltjes op internet.

Is de kerk een veilige plek om over je geloof te praten - of is er alleen maar plaats voor de sociaal wenselijke antwoorden?

Het moeilijke ervan is dat het mij en vele anderen onzeker maakt. Is de kerk een veilige plek om over je geloof te praten – of is er alleen maar plaats voor de sociaal wenselijke antwoorden? Binnen de vrijgemaakte kerken was lange tijd deze benadering gangbaar. Vaak merk je dat deze omgang met de belijdenis pijn gedaan heeft. Waren we niet te snel en te rationeel bezig? Jürgen Moltmann bijvoorbeeld was in de jaren zeventig iemand die niet deugde, een modern theoloog. Onlangs kwam zijn visie naar voren in het Nederlands Dagblad als een inspirerend voorbeeld. Dat was in een interview met Almatine Leene, beroepen predikant in Hattem-centrum. Dan heb je het nog niet eens over de kwesties die speelden in de jaren zestig, waaruit een kerkscheuring voortkwam. (En ook niet over de vraag of Moltmann terecht nu aandacht krijgt.)

Valkuilen

Wat heeft dat te maken met die jonge mensen die belijdenis doen en een getuigenis afleggen over wie God voor hen is? Het is allereerst een valkuil voor mij om me dan te gaan bemoeien met dingen die me niet aangaan. De kerkenraad van hun gemeente voert met al die mensen een persoonlijk gesprek en de raad beslist over toelating tot het doen van belijdenis. Hun eigen gemeente kan daarover meespreken, maar ik niet. Een tweede valkuil is dat ik het breder ga trekken: zie je wel, de mensen van vandaag maken hun eigen godsbeeld en daar gaan ze de fout in. Ik zie dat voorbeeld dan als typerend voor mijn mening over het geloof van mensen van nu.

Een tweede valkuil is dat ik het breder ga trekken: zie je wel, de mensen van vandaag maken hun eigen godsbeeld en daar gaan ze de fout in.

Maar ik weet niets van de verdere invulling van het geloof van die jonge mensen. En bovendien, zulke constateringen kunnen wel aanleiding zijn voor grondig praktisch-theologisch onderzoek, maar kunnen dat onderzoek niet vervangen. (Het zou wel een mooi en tegelijk lastig onderwerp voor zo’n onderzoek zijn: verandert de manier waarop mensen over God spreken? En hoe verhoudt zich dat met de leer van de Bijbel, zoals omschreven in de kerkelijke belijdenis?)

Gesprek

Erover praten, dat zou ik het liefste doen, als ik mensen tegen kom die het niet over Jezus hebben, maar alleen over God. Wat ligt daar onder? Je moet het dan niet alleen over godsbeelden hebben, maar ook over je beelden van Jezus. Hoe zien mensen Hem, en hoe zie je zelf Hem? Zie daarover het gesprek van Jezus met de discipelen in Matteüs 16.
Ik snap wel dat dit lastig is: over ‘God’ kun je heel bespiegelend praten, maar Jezus is de man die rond het jaar dertig actief was onder Israël, veel dingen deed die de mensen geweldig vonden, maar even vaak de confrontatie opzocht. Zie het evangelie van Johannes. Onomwonden sprak hij over een eeuwig oordeel. Zijn familie dacht soms dat hij niet goed bij zijn hoofd was (Marcus 3: 20). We leven nu in een tijd waarin iedereen druk is met zijn of haar imago, maar daar deed hij beslist niet aan. Hij was echt mens. Het opvallende in het Nieuwe Testament is dat daarop de nadruk ligt, zie de brieven van Johannes, en dat deze belijdenis tegelijk een grens aangeeft. Johannes spreekt rustig over dwaalleer. De oude kerkelijke belijdenissen pakken dat op.

Nieuw belijden

Laten we dus in gesprek gaan. Dit sluit aan bij een eerder artikeltje, waarin ik mij aansluit bij het verlangen naar een nieuwe belijdenis. De Regiegroep voor de fusie van GKv en NGK stelde dat voor. Daarop kwamen vooral negatieve reacties. ‘Met een beetje uitleg gaat de belijdenis best nog wel mee’. Maar dat is nu net de aanleiding dat een document dat duidelijkheid moet brengen, uitleg nodig heeft. Ik ga niet al die reacties na. Wel noem ik die van ds. Klaas van der Geest, in OnderWeg: liever geen nieuwe belijdenis, maar met elkaar in gesprek over de betekenis van het evangelie vandaag. Hij zinspeelt ook op de tijd dat de belijdenis als meetlat functioneerde. Als ik hem goed aanvoel, hebben we het over hetzelfde. Ik geloof ook niet dat een nieuwe belijdenis er komt door een groepje mensen bij elkaar te zetten, die met elkaar een tekst opstellen en die in de kerken brengen. Dat beseffen we ook binnen de kerken. Dat zie je in de omgang met een ander kerkelijk document, de kerkorde. Die gaat na het gesprek landelijk terug naar de regio’s voor verdere bespreking.

Over ‘God’ kun je heel bespiegelend praten, maar Jezus is de man die rond het jaar dertig actief was onder Israël, veel dingen deed die de mensen geweldig vonden, maar even vaak de confrontatie opzocht.

Het mooie van onze gereformeerde belijdenissen is dat die direct na opstelling wel herkenning vonden binnen de kerken: ja, daar staan we voor. (Dat geldt in ieder geval voor de Nederlandse geloofsbelijdenis en de Heidelbergse catechismus.) Maar dan hebben we het over de zestiende eeuw en hoe de mensen toen onmiddellijk het verband legden tussen de belijdenis en hun eigen leven: ‘We hebben geen pardon nodig van de koning van Spanje, want we hebben al een pardon van de Koning der koningen’. Als je verlangt naar zo’n document, dan moet je met elkaar in gesprek. Je hebt enerzijds de documenten uit het verleden, waar de Bijbel zelf ook bij hoort. Je hebt de theologie die zich met één en ander bezighoudt. Daarnaast heb je ook wat gelovigen zelf verwoorden over hun geloof – en er kan een behoorlijke afstand zijn tussen het een en het ander. En je hebt, als het gesprek goed verloopt, een soort bij elkaar komen van die drie lijnen in de werkelijkheid van de gemeente. Zo kan een nieuw belijden groeien.

Jan Kuiper
Neem contact op