“Zeg maar Rolf”, zei de weleerwaarde zeergeleerde heer dr. R.H.Bremmer tegen mij, vlak voor mijn bevestiging als predikant. Ik kon het niet over mijn lippen krijgen. En dat terwijl we niet alleen collega’s zouden worden, maar ook persoonlijk een goede relatie hadden. Hij bleef voor mij de senior-predikant die ook in de wetenschap en op bestuurlijk terrein zijn sporen verdiend had. En ik was een onbetekenend juniortje. Bovendien was ik als kind in Enschede altijd blij als hij op de kansel verscheen. Ik keek tegen hem op. Even los van de vraag of ik inmiddels sporen verdiend heb: jonge collega’s noemen me gewoon Jan, soms na een kleine aansporing. Er is veel veranderd. En het gebruik van voornamen is daar een illustratie van. Een predikant liet zich toen niet bij de voornaam noemen: je sprak hem aan met dominee en zei netjes ‘u’. Ongeveer in die tijd blikt de popgroep Doe maar terug op hun opvoeding in het lied Pa: ’Stel je netjes voor, eet zoals het hoort en zeg u {u u u…}’. Iemand zei in de jaren zestig tegen mij: “Otto heeft er weer niets van gebakken”. Het ging om een preek van de weleerwaarde heer ds. O.Mooiweer, en in het gebruik van de voornaam, eind jaren zestig, hoorde ik een gebrek aan respect. Inmiddels is het gebruik van titulatuur zoals in het bovenstaande vrijwel geheel verdwenen.

Gezag

Wel of geen voornaam gebruiken heeft te maken met autoriteit. Ik citeer de autoriteit rond moderne omgangsvormen Beatrijs Ritsema, via haar website: “Leraren van de basis- en de middelbare school laten zich vaak tutoyeren, omdat ze ‘u’ te afstandelijk vinden klinken. Ze zien zichzelf liever als maatje of vertrouweling van de kinderen. Zo’n gelijkwaardige relatie is een hypocriete hersenschim. De leraar is uit hoofde van zijn functie bekleed met autoriteit en het is passend als de leerlingen dat erkennen in hun spraakgebruik.” Of hiermee het laatste woord gezegd is?

Wat wel duidelijk wordt in de genoemde voorbeelden, is de nivellering die er rond gezag en macht heeft plaats gevonden. Wie macht heeft, is van zijn troon gestoten, al is het op een andere manier dan Maria in haar lofzang al aanwees. Wat is er gebeurd?

Gezaghebbend

We spreken van een gezaghebbend tijdschrift, bijvoorbeeld over medische zaken. Dat was het bij de oprichting niet; toen was het een van de vele die er verschijnen. Maar door de kwaliteit van de artikelen heeft zo’n tijdschrift in de loop van de tijd de aanduiding gezaghebbend verkregen. (En het is niet best als er dan opeens een onzinartikel door de strenge keuring glipt, zoals onlangs weer gebeurde in een stel periodieken van de sociale wetenschappen.) Wie op deze manier gezag gekregen heeft, heeft daarbij ook macht. De macht van de deskundigheid, al hoef je dat zelf nog niet eens te beseffen.

Onder andere omstandigheden komt die macht uit een bevoegdheid die je gekregen heb, bijvoorbeeld als leraar, in de regels van Beatrijs Ritsema. Je wordt benoemd aan een school en opeens heb je daarmee een behoorlijke macht over jonge mensen. Bij je buurmeisje dat je bij je voornaam noemt, maar nu bij je in de klas zit, verandert er opeens wat. Van een gelijkwaardige relatie in de straat naar een met een flink element van ongelijkwaardigheid in de klas. En, in vergelijking met vijftig jaar geleden: gezag heb je niet direct met je benoeming gekregen. Je moet dat, net als bij dat tijdschrift, veroveren en dat lukt niet altijd: ‘hij kan geen orde houden’.

We zijn daarmee in de praktijk een behoorlijk stuk verwijderd van de sfeer van de catechismus, zondag 39: wees gehoorzaam aan je ouders en andere gezagsdragers, omdat God ons door hun hand wil regeren. Voor de duidelijkheid: dat laatste is uiteraard nog steeds zo, maar de erkenning ervan stuit vandaag op andere problemen dan toen.

Op je strepen staan?

Een voorbeeld? Een ouderling ziet iemand op zondag een ijssalon verlaten, met een voldaan gezicht, en spreekt hem/haar erop aan. Maar die ander vindt dat dit best kan. Er komt officieel vermaan van en de ander luistert nog steeds niet. Stapelt hij/zij dan zonde tegen het vijfde gebod op die tegen het vierde? Dertig jaar geleden zou een kerkenraad dat zomaar kunnen zeggen. Nu zouden we toch wat meer oppassen om zo op onze strepen te gaan staan. Er is niets mis met strepen en kerkenraadsgezag, maar echt gezag komt als de kerkenraad – in dit voorbeeld – ook duidelijk kan maken waarom het gewraakte gedrag echt niet kan. De gezagsverhoudingen zijn veel platter geworden en dat heeft voor- en nadelen.

Ds. Johan

Wat heeft het voor voordeel als we gewoon spreken van ds. Johan? (ik pak willekeurig een voornaam.) Hij blijkt ook gewoon mens te zijn die iets van zichzelf kan laten zien in de uitoefening van zijn ambt. Net als iedereen heeft hij ook relaties die onderhoud nodig hebben: gezin, familie, vrienden… Hij komt niet langer een boodschap droppen, als het ware aan een baksteen door de ruit. Wat hij komt zeggen, is ook door hem heengegaan en hij probeert de moeite te peilen. Met die verschuiving in de praktijk van de macht komt ook een verschuiving mee in het pastoraat en in de preken. Allemaal voordelen, al zijn er net als vijftig jaar geleden nog steeds goede en slechte voorgangers. Je krijgt meer kans om naast de mensen te gaan staan die je begeleidt.

Kwetsbaar

Tegelijk zit er ook de kwetsbaarheid. Juist als je dichtbij komt en de relatie als broer en zus in de Heer laat ontaarden bijvoorbeeld in een seksuele. Onze tijd kent helaas genoeg voorbeelden van mannen die de ongelijkheid in de relatie misbruiken. En niet alleen in de kerk. Het gaat om de kwetsbare verhouding tussen afstand en nabijheid. Opvallend hierbij is dat veel predikanten wel hun voornaam gebruiken, maar bijvoorbeeld in het kerkblaadje toch die laten voorafgaan door de letters ds. Even afgezien van de vraag of het woord dominee een goede aanduiding is voor het ambt dat je mag bekleden; het spreken over ds. Johan laat iets zien van die spanning tussen afstand en nabijheid. Je wilt naast de mensen staan en tegelijk weet je je gezonden. Naast en tegenover.

En juist in dat tegenover zit de uitdaging voor de tijd waarin we leven. Wie alles laat afhangen van de vraag of ik het gezag van die ander erken, draait de zaken opeen gevaarlijke manier om. En je mist, of het nu om kerkelijke of wereldlijke gezagsdragers, het besef dat die ander met zijn boodschap die op dat moment niet goed valt, misschien wel juist daarom door God gestuurd is.

Dit artikel is gepubliceerd in de GEREFORMEERDE KERKBODE van Groningen, Fryslan en Drenthe van 27 oktober 2018. Voor abonnementen of informatie: Stuur een mail naar kerkbode@scholma.nl

Jan Kuiper

Jan Kuiper

Onderzoeker at Praktijkcentrum
Als eindredacteur verantwoordelijk voor artikelen voor werkers in de kerk. Wil hiermee een brug slaan van de bijbel naar de praktijk. Brengt hiervoor zijn ervaring als predikant in en zijn ervaring in projectmanagement. Heeft graag zicht op het grotere geheel. Schrijft het kerkelijk jaaroverzicht voor Handboek Gereformeerde Kerken. Mail of bel (038) 42 555 18
Jan Kuiper
Jan Kuiper

Latest posts by Jan Kuiper (see all)