‘Ik mag die man niet’. Dat zei Toon Hermans lang geleden van Snieklaas. Vooral omdat, in mijn woorden, de betreffende kindervriend een nogal kapitalistische toepassing had van het woord uit het evangelie: wie heeft, zal gegeven worden. En hij mocht Pieterman ook niet. Dat was overigens zijn tante. Pieterman had dan ook dingen die geen Pieterman heeft.

Twijfel aan de identiteit van de knecht van Sint. In de jaren zeventig kon Toon Hermans dat gewoon allemaal zeggen en iedereen vond het prachtig, die kritiek op de joods-christelijke traditie van het sinterklaasfeest. Dat is ruim veertig jaar geleden. Nu denk je wel even na voor je wat zegt over Zwarte Piet. En uiteraard, er is verschil. Toen liet de cabaretier wat milde spot los op een verder onaangetaste traditie. Nu bedanken cabaretiers voor de eer Zwarte Piet te spelen omdat de traditie zelf onder vuur ligt.

Last van stereotypen
Punt is dat een flink aantal Nederlanders in de stereotypen rond Zwarte Piet ook de stereotypen herkennen die vooral blanke mensen hebben rond de huidskleur van anderen. En in die stereotypen wordt het verleden voelbaar. Het verleden van de slavernij. En inderdaad, in het verleden zijn er ook blanke mensen slaaf geweest. Maar erop terugkijkend ging het de laatste eeuwen van dat instituut toch vooral om mensen met een donkere huidskleur die verhandeld werden als vee. En dat is lang verdedigd, ook door christenen, onder verwijzing naar Genesis 9: 25, een vervloeking door God zelf. Je kunt het gesprek over de kleur van de knecht niet voeren zonder je daarvan bewust te zijn.

Racisme en gereformeerden
In alle discussies van de laatste tijd vond ik een heldere omschrijving van racisme. Daarin gaat het erom dat je mensen bepaalde eigenschappen toedicht op grond van hun afkomst. Bijvoorbeeld dat Friezen, omdat ze die afstamming hebben, stijfkoppig zijn. Vaak zit er dan ook iets van superioriteit in. Dat kwam ik bijvoorbeeld tegen in het zesdelige werk ’de geschiedenis der Godsopenbaring’ , onder vrijgemaakten van de eerste generaties wel bekend. De schrijvers hebben het dan over het huwelijk van Mozes met een Nubische vrouw. En ze leggen Mirjam en Aäron dan de woorden in de mond: wie een zwarte trouwt, verspilt het recht op het leiderschap van het volk des HEEREN ( dl 2, p. 518, 1e druk). De huidskleur van de vrouw is echter geen element in Numeri 12 zelf. Het laat iets zien van de manier waarop nog zo’n 50 jaar geleden gedacht werd. Denk ook aan de gedachten die meeklinkt in het woord ‘halfbloed’, om iemand aan te duiden die een Europese ouder heeft en iemand uit een ander continent, met een andere dan blanke huidskleur. Slavernij mag dan al sinds de negentiende eeuw afgeschaft zijn, de erbij horende mentaliteit heeft een langer leven. Daar lopen mensen tot vandaag toe tegenaan. Het is ook nog niet zo lang geleden dat prof.dr. J.Douma als een van de eersten wees op de onhoudbaarheid van het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Hij stond daarin aanvankelijk vrijwel alleen. Het is goed dat mee te nemen in het huidige gesprek. Een dosis zelfbeproeving ook voor christenen is wel op zijn plaats.

Onschuld
Gaat al die vooroordelen door je heen als je thuis Sint viert en misschien wel een verschijning van de goedheiligman en zijn knecht regelt via de advertenties in de krant. Natuurlijk niet. Toch twee dingen daarnaast. Het eerste is een harde les die ik zelf heb moeten leren: ook met de beste bedoelingen kun je een ander pijn doen. In je onwetendheid zeg je dingen die bij iemand anders iets oproepen uit zijn of haar eigen levensgeschiedenis. Dat kan in een preek, of in een gesprek, of een artikel, of… . Het helpt dan weinig als je wijst op je eigen goede bedoelingen. Je zult de pijn van die ander moeten erkennen. Dat hoort bij de gebrokenheid van het leven. Ook als ik ervan uit zou gaan dat Zwarte Piet een volkomen onschuldig verschijnsel is, moet ik toch een weg vinden met de pijn die hij bij anderen oproept. Dat kan een offer vragen.
Een tweede punt vind ik bij een essay van Godfried Bomans, lang geleden voor Elseviers weekblad. In 1963 schrijft hij over de boeken van de Duitser Karl May. Enerzijds wijst hij op de baarlijke onzin die je daarin kunt lezen, anderzijds wijst hij erop dat de hoofdfiguren uit die reeks, Winnetou de indiaan en Old Shatterhand, compleet losgezongen zijn van de werkelijkheid: ze doen gewoon niets verkeerd. En hij ziet daarin al iets van de heldenverering die een van de achtergronden is van het Nationaal Socialisme van Hitler en de zijnen. Het ruikt niet naar de prairie, besluit hij zijn artikel; het ruikt naar gas. Het gaat dan om een populaire boekenreeks uit de negentiende eeuw die tot vandaag herdrukt wordt. En uiteraard beschuldig ik niet iedere lezer (vaak jongens van de middelbare schoolleeftijd) van racisme. Toch is het goed kritisch te zijn op de heldenverering die erin naar voren komt. Mijn punt of Bomans in zijn analyse nu gelijk heeft of niet: het is goed je de vraag te stellen of achter een op het eerste gezicht onschuldig verhaal, of gebruik, toch niet een minder mooie laag kan zitten.

Testcase
Op facebook wordt het gesprek over Zwarte Piet fel gevoerd. De meerderheid zou er geen moeite mee hebben, ook niet de meerderheid van de afstammelingen van volken die vroeger als slaaf verhandeld werden. Laten we even ervan uitgaan dat dit klopt. ( Je moet bij onderzoeken altijd even kritisch kijken naar wat precies gevraagd is en in welk kader de vragen gesteld zijn). En het zou dan in een democratie zo zijn dat de meerderheid beslist.
Als dat zo is, wordt een democratie inderdaad de dictatuur van de meerderheid van het moment. Terwijl je ook kunt stellen dat de kwaliteit van een democratie blijkt in de manier waarop je omgaat met minderheden. We zijn daar als christenen, inmiddels ook een minderheid in Nederland, fel op. Waarom zou dat dan niet voor andere discussies gelden? Zo gemakkelijk kom je er niet van af.
In die zin is de hele discussie rond Zwarte Piet een testcase: het roept gevoelens op die lang onder de beschaafde oppervlakte leefden. En het dwingt om te vragen wat je nu eigenlijk bedoeld met de zogenaamde joods-christelijke traditie. Het gaat om de kwaliteit van de samenleving en de kwaliteit van het gesprek. Paulus zegt in Filippenzen 1 dat hij bidt om inzicht en fijnzinnigheid om te onderscheiden waarop het aankomt. Dat wens ik iedereen toe in deze discussie.

Dit artikel is gepubliceerd in de GEREFORMEERDE KERKBODE van Groningen, Fryslan en Drenthe van 11 juni. Voor abonnementen of informatie: Stuur een mail naar kerkbode@scholma.nl

The following two tabs change content below.

Jan Kuiper

Onderzoeker op Praktijkcentrum
Als eindredacteur verantwoordelijk voor artikelen voor werkers in de kerk. Wil hiermee een brug slaan van de bijbel naar de praktijk. Brengt hiervoor zijn ervaring als predikant in en zijn ervaring in projectmanagement. Heeft graag zicht op het grotere geheel. Schrijft het kerkelijk jaaroverzicht voor Handboek Gereformeerde Kerken. Mail of bel (038) 42 555 18