Vijftien jaar is Martha (22) als haar moeder kanker krijgt. Martha bidt God om genezing maar haar moeder overlijdt. Teleurgesteld keert Martha God de rug toe, ze is ervan overtuigd dat Hij niet bestaat en heeft geen relatie met God. Begrijpen christenen waarom mensen als Martha hun geloof kwijtraken en kunnen ze een gesprek met hen beginnen?

Driekwart van alle Nederlanders is niet christelijk, hoewel dertig procent van hen ooit opgroeide in een christelijke omgeving. Maar ze stapten uit de kerk en verloren hun geloof in God. Gelovigen graven meestal niet graag in hun twijfels, vragen, moeiten met de kerk en ongeloof, ze ervaren dat als een duister gebied waarvan ze zich verre houden. Maar Robert Roth (44) verdiept zich daar juist wel in. ‘Ik wil me op deze manier graag verplaatsen in mensen die niet of niet meer geloven.’

Teleurgesteld in God
Mensen krijgen niet altijd wat ze graag willen: een partner, een kind, geluk, genezing. Voor gelovigen kan dat extra hard aankomen: je vertrouwt op God maar Hij stelt je teleur. Heeft God niet het beste met je voor? Veel christenen worstelen daardoor met hun geloof of keren God zelfs de rug toe. Ze verwijten God hun teleurstelling en verdriet. En antwoorden uit de Bijbel passen niet. Antwoorden als ‘God geeft je niet altijd wat je vraagt’ of ‘Moeilijke dingen laat God meewerken ten goede’ ketsen af op iemand als Martha. Want ze passen niet bij de vragen en verwachtingen die ze heeft.

‘Ik vraag haar: Wat verwachtte je van God? Waarom dacht je dat je recht had op zijn hulp? Waarom ben je in hem teleurgesteld? Het levert mij inzicht op in haar teleurstelling.’

De vragen die ik aan haar stel, stel ik vervolgens ook aan mijzelf. Door in mijn gedachten, gevoel en ervaringen te graven ben ik erachter gekomen dat er naast geloof ook ongeloof in mij huist. Ik kan me voorstellen waarom Martha God vaarwel zegt. Mijn enthousiasme voor God heeft plaatsgemaakt voor bedachtzaamheid en begrip voor mensen die God niet (meer) kennen. Ik geniet ervan om God te kennen en te dienen, maar soms vind ik mijn geloof absurd, dan denk ook ik dat ik best zonder God kan leven. Als zo’n sfeer van ongeloof over me komt, merk ik niet eens altijd de neiging om anderen of mijzelf te corrigeren. Alsof Gods werkelijkheid in mij even niet functioneert. Door dit soort zelfonderzoek kan ik me beter voorstellen dat mensen keuzes maken die absoluut niet bij God passen. Maar wel heel goed bij zichzelf.’

Robert begrijpt zo beter waarom mensen God vaarwel zeggen. ‘Geloven is en blijft een wonder, daarvan ben ik zelf een levend bewijs. Ik mag van God ontdekken dat een leven zonder God zich soms voor mij als heel reëel voordoet en dat het geloof een geschenk van God is, een mysterie van de Geest. Ondanks mijn ongeloof zit ik met huid en haar vast aan God: geloof is een gave van God. God houdt mij vast.’

Geloven een geschenk
‘Paulus schrijft in zijn eerste brief aan Timoteüs dat Christus zich ontfermde over hem, hoewel hij Christus, in zijn ongeloof, bespotte en vervolgde’, vervolgt Robert. ‘In gebrokenheid wordt Christus’ ontferming zichtbaar. Ik mag me inzetten voor de verspreiding van het Evangelie, soms ook als een schaap in wolfskleren. Ik benader mensen vanuit geloof, zonder mijn ogen te sluiten voor mijn ongeloof. Zo voer ik af en toe gesprekken met mensen die niet (meer) geloven, en kan ik hen aanvoelen en begrijpen. Het geeft gesprekken diepgang. Ik zie mijn gesprekspartners als mensen die, net als ik, mogen ontdekken dat ¬Christus’ licht schijnt, dat Hij verzoening brengt en nieuw leven.’