‘Ik ervaar een groot contrast: zij geloven en ik niet. Wat ze zeggen over hoe het leven in elkaar zit en over het contract huwelijk, om het zo maar te zeggen, vind ik erg mooi en leerzaam. Maar een stap verder is dat er dan ook een God bij staat. Een God die ze als een persoon zien en die een mening heeft over die onderwerpen. Ik merk dat zij dat mooi en prettig vinden, maar daar houdt het voor mij op. Het werkt voor mij bevreemdend, dat gevoel herken ik niet.’

Renske Feijen deelt haar ideeën over christenen en hun geloof met ons.
Ze werkt als voorlichter voor de studie Gezondheidswetenschappen aan de VU in Amsterdam. Een paar jaar geleden kwam ze voor het eerst in de kerk, bij de trouwdienst van een collega. Ze beschrijft zichzelf als zoekend, een twijfelaar. Christenen bekijkt ze van een afstand: zij en ik.
Tegelijk wordt ze aangetrokken door hun rust. ‘Het begrip ‘God’ heeft voor mij verschillende kanten. Het is iets dat ik observeer bij anderen, iets heel moois, waar anderen vertrouwen of warmte uit halen. Ik denk dat het een soort van rustpunt kan geven in iemands leven. Tegelijk associeer ik het – wat negatiever – met oorlogen, fanatieke gelovigen die anderen wat aandoen in naam van hun religie.

God zie ik niet als een persoon, het gaat mij om het concept ‘geloven’. Een soort overtuiging, zoals de overtuiging dat het hiernamaals bestaat.’ God zien als persoon maakt Renske nieuwsgierig. ‘Hoe moet ik me dat voorstellen? Als iemand die nu nog leeft? Visualiseer je hem dan ook, als een man op een wolkje? En is de relatie met hem belangrijker dan die met je partner?’ Het idee dat God invloed heeft op je leven en zingeving biedt is naar Renske’s idee nog een stap verder. ‘Christenen motiveren hun daden door hun geloof. Dat geeft mij het gevoel dat je niet zelf de verantwoordelijkheid neemt voor je daden, maar je geloof laat bepalen wat je doet. Ik vind dat ik zelf voor zingeving moet zorgen, door bijvoorbeeld bij te dragen aan iemands leven en niet veroordelend te zijn. Maar hoe, dat weet ik ook niet precies.

Voor christenen is het geloof volgens mij een basis om op terug te vallen, een leidraad voor het leven. Als je antwoorden zoekt, vind je ze daar. Dat geeft levenswijsheid en rust. Mijn vader is streng katholiek opgevoed, kreeg veel angst voor het doen van zonde mee. Toen hij ouder werd heeft hij daarom de kerk vaarwel gezegd. Pas heeft hij wel weer een Bijbel gekocht. Om te lezen als mooi boek. Het geloof bindt mensen samen; gelovigen delen overtuigingen en hebben bijeenkomsten. Tegelijk is geloven in een groep voor mij verbonden met moeten en dus verlies van vrijheid: je moet iedere zondag naar de kerk en je moet wachten met seks tot aan je huwelijk. Als je gelovig bent opgevoed moet je geloven om geen outcast te worden. Ik vind hockey bijvoorbeeld een leuk spelletje, maar dat je je moet voegen naar zo’n groepscultuur, weerhoudt me ervan om mee te spelen. Ik houd meer van diversiteit in meningen. Gesprekken over geloof zouden voor mij laagdrempeliger zijn als ze in een soort filosofieclubje zouden plaatsvinden, maar dan met een mix van gelovigen en niet-gelovigen. Met zo’n gemengde groep heb je niet zo snel het gevoel dat ze jou met z’n twintigen proberen te overtuigen. Volgens mij filosoferen jullie heel wat af, maar dan met hetzelfde boekje in de hand.’