‘Ik was verheugd, toen men mij zei: laat ons naar ‘t huis des HEREN gaan’, zo begint Psalm 122 in de nieuwe berijming van het Gereformeerd Kerkboek. ‘Ik was verheugd.’ Ja, zo was het toen. Toen waren we kennelijk blij om naar de kerk te gaan. In ieder geval zongen we het met enige regelmaat. Nu is dat wel anders.

De afgelopen 25 jaar, ongeveer vanaf de val van de Berlijnse Muur, lijkt de blijdschap in het naar de kerk gaan langzaam maar zeker afgenomen te zijn. In ieder geval als je de mate van blijdschap mag afleiden uit de frequentie van het kerkbezoek. En dan gaat het niet alleen over het bezoek aan de tweede kerkdienst, maar ook aan de eerste. En het gaat niet alleen over jongere generaties, maar ook over oudere.

Begrijpen we waar deze veranderingen mee te maken hebben? Welke waardering kunnen we aan deze veranderingen geven? En welke nieuwe of herontdekte inzichten geeft dat?

Verschraald

Velen zijn ermee opgevoed: met zondag 38 van de Catechismus, over de sabbatsheiliging. Volgens de Catechismus gaat het bij sabbatsheiliging om het beschikbaar stellen van voldoende financiële middelen om de kerkdienst, het ‘bestaan’ van de dominee en het godsdienstonderwijs mogelijk te maken. Het gaat er verder om dat we op zondag ‘naarstiglijk’ naar de kerk gaan, dat we alle dagen afstand van de zonde houden en dat we ons door Gods Geest laten vernieuwen. Op die manier kunnen we nu al iets van het eeuwige leven (‘den eeuwigen Sabbat’) ervaren.

De Catechismus geeft eigenlijk een heel brede en spirituele invulling aan het vierde gebod, maar in de loop der jaren is de uitleg ervan voor velen verschraald tot ‘je moet op zondag twee keer naar de kerk’. En dat doen we niet meer. Niet meer als Nederlanders en niet meer als gereformeerden.

In de NGK is in zo’n 30 procent van de gemeenten de tweede kerkdienst afgeschaft. In de GKv is dat momenteel slechts op enkele plekken het geval, maar in meerdere gemeenten wordt erover gesproken en in álle gemeenten is een sterke terugloop van het bezoek aan de tweede kerkdienst onderwerp van gesprek op de kerkenraad.

Niet alleen de tweede kerkdienst wordt minder frequent bezocht, ook de eerste. Mensen lijken gemakkelijker het hele kerkbezoek op een zondag over te slaan of buiten de eigen gemeente een dienst, viering of samenkomst te bezoeken. ‘Dienst, viering of samenkomst’ wil zeggen: de vorm en het officiële karakter doen er minder toe.

De Catechismus geeft eigenlijk een heel brede en spirituele invulling aan het vierde gebod

In een paar kleinere onderzoeken die zijn uitgevoerd door studenten van de Theologische Universiteit Kampen kwamen verschillende voorbeelden aan de orde. Een gemeentelid, ouder dan 60 jaar, zei: ‘Ik ga wel iedere zondag, maar niet altijd twee keer. Toen de opvoeding klaar was, ben ik begonnen met minder dan twee keer te gaan. Dat komt ook omdat ik steeds meer afstand voel tot kerkmensen. Ik kan moeilijk benoemen waar dat in zit. Vroeger was ik met hart en ziel kerklid en dat is gewoon anders geworden, het is zo gebeurd. Als ik niet ga, mis ik de kerkdienst ook niet.’

In gesprekken met kerkenraden, classes en sleutelinformanten vanuit het werk van het Praktijkcentrum horen we dezelfde geluiden.

Ontnuchtering

Vier ontwikkelingen in onze tijd en cultuur spelen in ieder geval een rol om deze verschijnselen te begrijpen.

  • Het eerste is de overgang van de grote verhalen van de moderniteit naar de kleine, persoonlijke, lokale verhalen van de postmoderniteit. Het verhaal van ‘de kerk’ als voorportaal van het nieuwe bestaan, als boodschapper voor de hele samenleving, als toeruster voor maatschappij, politiek, school en gezin, bestaat niet meer. Het christelijke verhaal staat onder druk door misstanden, onwetenschappelijkheid en vrijheidsbelemmering. Religies die een vrediger gezicht hebben, zoals het boeddhisme, of die juist een radicaler gezicht hebben, zoals de islam, bieden interessante alternatieven. Die alternatieven lijken soms beter te passen bij de persoonlijke drijfveren van mensen (je eigen spirituele weg gaan) of de overzichtelijke ethiek waar men naar zoekt (vijf keer per dag bidden).
  • De tweede ontwikkeling is dat we veel meer weet hebben van het christelijke en kerkelijke leven in andere landen en werelddelen en binnen andere tradities. Door internet, door reizen binnen en buiten Europa en door ontmoetingen met onder anderen lutherse, rooms-katholieke en evangelische gelovigen, zijn we tot de ontdekking gekomen dat er meerdere vormen van Bijbellezen en christelijke levensvormgeving bestaan. En dat de kerkgang daarin soms een heel andere plaats inneemt. In plaats van twee keer kun je ook één keer samenkomen op zondag en in plaats van iedere week kun je ook twee- of driewekelijks diensten organiseren. Samenkomen hoeft ook niet alleen in zondagse erediensten, maar kan net zo goed in zelf georganiseerde vieringen. En wat te denken van de kloosterspiritualiteit van bijvoorbeeld Taizé, waar je opgenomen wordt in een grote, anonieme massa?
  • De derde ontwikkeling hangt samen met de twee voorgaande: de grote verhalen over de kerkgang blijken tijd- en plaatsgebonden te zijn. Het ‘naarstiglijk’ tot de gemeente Gods komen, blijkt een gereformeerde invulling te zijn, die niet binnen alle christelijke denominaties zo beschreven, beleden en geleefd wordt. De ‘ware’ kerk is onzichtbaarder dan we dachten en het ‘algemeen en onbetwijfeld christelijk geloof’ van het Apostolicum blijkt ook voor onze roomse en orthodoxe broers en zussen de grondslag te zijn van hun opzien in aanbidding naar God.
  • Deze ontnuchtering, relativering en toegenomen bescheidenheid over onze eigen inzichten speelt zich af in een samenleving waarin druk en drukte ons leven in hoge mate bepalen. Dat is de vierde ontwikkeling. Het leven is in al zijn dynamiek en hectiek uitermate onrustig en vermoeiend geworden. De zaterdag en de zondag zijn dan eilanden van rust en ontspanning, die soms nauwelijks ruimte laten om meer dan één keer naar de kerk te gaan. De behoefte om samen met je gezin te zijn en aandacht aan elkaar te geven, kan al snel strijdig worden met de kerkgang.

Hier en daar melden kerkenraden dat dit plaatje ook geldt voor oudere generaties. Meer dan vroeger vullen ook zij de zondag in met gezin, ontspanning en uitgaan. En, zeggen kerkenraden en predikanten, dat geldt ook voor meelevende en betrokken kerkleden!

Uitersten

Wat ook invloed heeft op de kerkgang, is dat de diensten niet altijd aansluiten bij de behoeften van gemeenteleden. Uit de studentenonderzoeken blijkt dat jongere generaties behoefte hebben aan kerkdiensten die structuur bieden voor hun geloof in en omgang met God. Lastig daarbij is dat de vorm van die structuur tussen twee uitersten gevonden moet worden.

Aan de ene kant zien we een behoefte aan kerkdiensten met een enthousiast en overtuigend karakter. De voorgangers moeten authentiek zijn, maar ook ruimte laten voor twijfel. Er moet ruimte zijn voor een geloofsexpressie die dieper gaat dan oppervlakkige emotionaliteit. De liefde voor God moet centraal staan, maar zonder dat dit aan de heiligheid van God tekortdoet. En Jezus moet dichtbij gebracht worden, zonder dat Hij ons ‘grote broertje’ wordt.

Aan de andere kant zien we een behoefte aan verstilling, aan een oude, vertrouwde sfeer. Die sfeer hoeft niet alleen in het zingen van psalmen tot uitdrukking te komen, maar kan ook tot zijn recht komen in momenten van stilte en overgave aan Gods genade. De stevige exegese moet niet alleen het hoofd, maar vooral ook het hart raken. Het ritme van de liturgie moet bekend en vertrouwd zijn van vroeger, maar tegelijkertijd qua woorden en uitdrukkingen mensen binnen de actualiteit van dit bestaan aanspreken.

Het ‘naarstiglijk’ tot de gemeente Gods komen, blijkt een gereformeerde invulling te zijn, die niet binnen alle christelijke denominaties zo beschreven, beleden en geleefd wordt

Beginpunt

De kerkdienst is dus veel minder centraal komen te staan. Tegelijkertijd neemt de kerkdienst nog steeds een belangrijke plaats in, ook voor jongere generaties. De dienst geeft ons een tijd en een plaats om God te dienen en te ontmoeten. Maar hoe kun je, gezien de veelkleurigheid van mensen en omstandigheden, eenieder iets bieden in je diensten? Wat is de kern van een samenbindende eredienst?

Volgens de Tilburgse theologiehoogleraar Erik Borgman heeft de kerk zich in de afgelopen decennia te veel laten meeslepen door pr-strategieën, alsof het in de kerk gaat om efficiency, succes, uitstraling en het bereik van de boodschap. Niet dat de boodschap niet in een passende vorm aangeboden mag worden, maar de vorm is te veel afgekeken van de reclames van bedrijven en producten. En dan beginnen de doelstellingen van de kerk verdacht veel te lijken op die van bedrijven, onderwijsinstellingen, zorgondernemingen en zelfontplooiingsgoeroes. Dan wordt de kerk activiteitengestuurd, alsof we ons eigen heil moeten realiseren door goede, Wmo-gestuurde werken of het betalen van mooie bijdragen voor hulpverleningsdoelen in binnen- en buitenland. Dan komen er gebedslijstjes, Bijbelleesroosters en geestelijke groeidoelstellingen op persoonlijk en gemeentelijk niveau.

Nee, zegt Borgman, we moeten terug naar het begin: de kerk is waar God is, waar God zichtbaar bij de mensen is. In het luisteren naar het Woord. In het opzien naar Jezus de verlosser. En in de aanvaarding van de sacramenten. God gaat aan ons vooraf en is niet afhankelijk van ons geloof. Borgman sluit hiermee aan bij de uitleg van zondag 38 waarom we ‘naarstiglijk’ naar de gemeente Gods zouden moeten komen: om Gods Woord te horen, de sacramenten te gebruiken, God de Here openlijk aan te roepen en de armen christelijke handreiking te doen.

Zowel Borgman als de Catechismus kiezen dus voor een ander beginpunt van de kerkdienst dan we de laatste decennia benadrukt hebben: de kerk begint bij God, we komen naar de gemeente van God! Anders gezegd: een onbedoeld bijeffect van alle aandacht voor de vorm, boodschap, doelgerichtheid en toegankelijkheid van onze diensten kan zijn dat we het eerste begin kwijtraken. God komt naar ons toe. En dan komen wij naar God toe. Pas dan!

Hernieuwde zoektocht

Het lijkt erop dat jongere generaties dit weer meer aanvoelen. Er lijkt een hernieuwde zoektocht te zijn naar liturgische ervaring, naar het zich geroepen weten door de heilige God. ‘Om voor Gods aangezicht te staan’, zoals Psalm 122 het berijmd zegt.

Als we zo in onze diensten voor Gods aangezicht komen, zullen we ons met elkaar verbonden weten als leden van het volk van God, bemiddeld door het verlossende werk van Jezus Christus. God zelf zal ons dan opnieuw bevragen, bekritiseren en bemoedigen, in Woord en sacrament, in schuldbelijdenis en verootmoediging, in lofprijzing en dankzegging. Door Hem raken we aan elkaar verbonden, omdat Hij ieder van ons bevraagt, bekritiseert en bemoedigt. Samen zingen, bidden en luisteren we, in onze eigenheid, maar tegelijk aan elkaar verbonden. Samen geroepen door dezelfde God, elkaar ontmoetend.

Dit artikel is gepubliceerd in OnderWeg #22 van 28 november 2015

The following two tabs change content below.
Is verantwoordelijk voor de afstemming van de vragen uit de kerken, uit de theologische opleidingen en van de adviseurs en onderzoekers. Dienst aan de kerken in praktische zin in combinatie met dienst aan de (wetenschappelijke en praktische) doordenking van ons leven als volgeling van Jezus Christus. Met elkaar onderweg naar het nieuwe Koninkrijk van God, geleid door de Geest onder een open hemel. mail Henk