Tijdens een BBQ, de officiële afsluiting van het seizoen, praat ik met de jongeren en begeleiders van een mentorgroep die twee jaar lang met elkaar hebben opgetrokken. Samen kijken we terug op hun ervaringen. ‘In het begin hebben we nog wel een boekje aangeschaft, maar daar kunnen we niet mee omgaan.’

Eén van de jeugdwerkers zegt: ‘Het is voor ons de laatste keer dat wij jullie bij elkaar roepen, maar we laten jullie vrij om zelf iets te organiseren, we zien de uitnodiging wel voorbijkomen in WhatsApp.’ Deze opmerking is tekenend voor de manier waarop de jeugdwerkers met de groep omgaan. Ik hoor de jongeren gelijk al de eerste plannen maken.

De mentorgroep komt in deze samenstelling al twee jaar bij elkaar. Het is een groep van twaalf jongeren van 15 en 16 jaar. Hiervoor was de groep gesplitst en dat vonden de jongeren niet leuk: ‘We zijn een vriendengroep, we kennen elkaar al heel lang en we vonden het niks dat we werden opgesplitst.’

Tegelijkertijd begrepen ze het wel: ‘We waren ook wel een lastige groep.’ Dat bleek vooral te maken te hebben met de inhoud van het jeugdwerk en de manier waarop de toenmalige jeugdwerkers met hen omgingen. ‘Er was weinig ruimte om gezellig met elkaar in gesprek te zijn, ze hielden zich strak aan het programma.’

De afgelopen twee jaren waren totaal anders: ‘We herkenden elkaar. De nieuwe jeugdwerkers zitten op ons niveau. Ze begrijpen ons, zijn meer van deze tijd en creëren een goede sfeer.’ Waarop één van de jeugdwerkers antwoordt: ‘Ik heb ook van jullie genoten en veel van jullie geleerd. Zonder jullie had ik bijvoorbeeld nooit de Hunger games gezien.’

Actualiteit

Hun enthousiasme roept bij mij de vraag op wat ze dan op een mentoravond met elkaar doen. De jeugdwerkers antwoorden dat ze vooral een goede sfeer wilden neerzetten, waar de jongeren graag naartoe komen. De jongeren beamen dit en als de opkomst een graadmeter is, dan is het gelukt: ‘We waren er bijna altijd en anders meldden we ons af in de WhatsAppgroep.’

Naast de goede sfeer probeerden de jeugdwerkers thema’s te behandelen die raken aan de leefwereld van jongeren of die aansloten bij de actualiteit: ‘In het begin hebben we nog wel een boekje aangeschaft, maar daar kunnen we niet mee omgaan.’ De ander vult aan: ‘We hebben er een paar lessen mee gewerkt, maar het was allemaal veel van hetzelfde. En we hadden van de kerkenraad de vrijheid gekregen om zelf te beslissen of we het wilden gebruiken.’

Op de vraag of de jongeren een voorbeeld konden geven, werd de avond rondom de verkiezingen genoemd: ‘Dat was gaaf, we moesten partijen vormen met een eigen programma en daar met elkaar over in debat gaan. Zelf argumenten verzinnen en je verhaal verdedigen.’ De manier waarop ze het vertellen, laat zien dat ze ervan hebben genoten. Als ik vraag wat precies het doel was, blijft het even stil, maar al zoekend komen de jongeren er met een beetje hulp van een jeugdwerker wel uit: ‘We moeten geen meelopers zijn, maar zelf nadenken, keuzes maken en die verdedigen. Dat geldt ook voor waar je in gelooft.’

Ook al was de kern wat weggezakt, het is duidelijk dat de jongeren vanuit een gezellige sfeer geprikkeld willen worden. Het moet niet al te zwaar worden, maar het moet wel ergens over gaan: ‘Niet te diep serieus, we komen vooral voor de gezelligheid.’ Er is ook ruimte voor geloofsvragen. Binnen de vriendengroep bestaat daarin veel variatie. Van de één ‘hoeft het niet’, de ander ‘weet het allemaal niet’ en weer een ander is hongerig en bezoekt ook activiteiten van andere kerken om te groeien in geloof.

Samen zijn

Deze ontmoeting deed mij denken aan het promotieonderzoek van Harmen van Wijnen. Hij deed onderzoek onder een vijftal jongerengroepen die in meer of mindere mate verbonden waren met de kerk (PKN). De mentorgroep zou één van deze groepen kunnen zijn geweest. De belangrijkste conclusie van Van Wijnen is dat ‘zijn’ voorafgaat aan ‘organiseren’ en dat een jongere niet kan ‘zijn’ zonder anderen: samen zijn is een basisgegeven. Jongeren zoeken elkaar op. Ze zijn het liefst bij elkaar om te chillen, plezier te maken, muziek te luisteren en hun gevoelens te delen. Ook geloof en geloofsbeleving zijn voor jongeren een gezamenlijke onderneming.

Van Wijnen wijst vooral op de informele groep. Zo’n informele groep, emotioneel verbonden en met affectieve eigenschappen, kan voor jongeren een plek zijn van gezamenlijke ervaringen van geloof, hoop en liefde. Zijn onderzoek eindigt dan ook met de aanbeveling om een transformatie in te zetten in het jeugdwerk en om voortaan te beginnen bij de (informele) verbanden van de jongeren zelf. De aandacht zou moeten verschuiven van de georganiseerde jeugdgroepen naar de spontane groepen. Jeugdleiders zouden daarbij authentieke identificatiefiguren moeten zijn, die vooral het samen zijn vanuit de bron voorleven en doorgeven.

Creatief

De twee jeugdwerkers van deze mentorgroep hebben het onderzoek niet gelezen, maar ze voelen haarfijn aan waar het om gaat. Ze proberen op een creatieve manier, zonder gebruik te maken van een formele Bijbelstudiemethode, met de jongeren op te trekken, van elkaar te leren, en samen na te denken over persoonlijke, maatschappelijke en geloofsvragen. Tegelijkertijd leggen de jongeren haarfijn bloot dat dit wel wat vraagt van de jeugdwerkers en van de kerk.

Dit artikel is geschreven door Anko Oussoren en gepubliceerd in OnderWeg 24 juni 2017

The following two tabs change content below.

Anko Oussoren

Adviseur op Praktijkcentrum
Is sociaal, geïnteresseerd in mensen en heeft zich vooral de laatste jaren ingezet voor jongeren binnen en buiten de kerk. Zijn passie ligt bij het jeugdwerk en het missionair gemeente-zijn. Hij heeft het verlangen om gemeenten toe te rusten vanuit de liefde van God. Mail naar Anko