Een egel is een merkwaardig diertje. Het kan niet hard lopen, het heeft geen mooie kleuren en het rommelt maar een beetje onder de heg. Maar toch overleeft het al duizenden jaren. Dat komt omdat een egel iets kan wat geen enkel ander dier kan: zijn stekels opzetten bij gevaar. Die simpele, succesvolle strategie werkt prima, al jarenlang. Zelfs sterke, slimme vossen verliezen het meestal van de egel als ze het tegen hem opnemen.

Maar dan verandert de wereld: eerst langzaam en dan steeds sneller. En op een kwade avond steekt het egeltje een strook asfalt over. In de verte doemen lichten op. Onmiddellijk doet de egel wat hij al heel lang en succesvol doet: hij rolt zich op, zet z’n stekels op en blijft onbeweeglijk liggen. En juist datgene wat de egel altijd heeft geholpen – het beste dat hij in huis heeft – wordt nu zijn ondergang. Waarom? Omdat de wereld om hem heen is veranderd.

Onrust
Het voorbeeld van de egel helpt me na te denken over kerken. In de afgelopen eeuw is de wereld in duizelingwekkend tempo veranderd. Toen mijn opa (die nu 95 is) werd geboren, was de maximumsnelheid dezelfde als in de tijd van Paulus: het tempo van paard en wagen. In zijn leven is de samenleving radicaal veranderd, en dat gaat nog steeds door. Nog nooit is in de geschiedenis zoveel veranderd in zo korte tijd. Wat betekent dit voor kerken? In de afgelopen eeuwen hebben we een rijke cultuur opgebouwd, met waardevolle tradities. Daar is niets mis mee, integendeel. Maar het probleem is: veel van wat we hebben geleerd, veel van onze ‘instinctieve’ reacties blijken ineens tegen ons te werken. We proberen ‘de boel bij elkaar te houden’, stellen commissies in, schrijven stukken in kerkbladen, dienen bezwaarschriften in, lopen procedures nog eens na, doen synodeuitspraken, vergaderen en nog eens vergaderen… Allemaal goede dingen, maar toch helpen ze niet meer zoals ze ooit geholpen hebben. Dus blijft de onrust terwijl de ontwikkelingen doorgaan en de vragen toenemen.

Pijnlijk leerproces
Met recht en reden koesteren we onze cultuur en tradities. En tegelijk moeten we onder ogen zien dat de kerk haar missie vandaag niet meer kan uitvoeren door gewoon hetzelfde te blijven doen. Er is een lang en vaak pijnlijk leerproces nodig en als ik me niet vergis zijn we er al volop mee bezig. Maar er is hoop. Mensen zijn geen egels. En de kerk heeft de belofte ontvangen van de heilige Geest, die haar leidt. Toen Jezus zijn leerlingen de wereld instuurde, zei Hij dat Hij erbij zou zijn totdat de wereld ten einde zou zijn. Dat geeft ontspanning en moed. Wij hoeven de kerk niet te redden. We hebben alle reden voor geloof en vertrouwen.

Juist daarom mogen we het leerproces aangaan. We hebben ook geen keus. Dat betekent trouwens niet dat alles overboord moet. Het egeltje mag zich best blijven oprollen, hij zal dat alleen niet meer op een weg moeten doen. Het zal nieuwe dingen moeten leren, zoals snel doorlopen wanneer er koplampen opdoemen. Als kerken zullen we nieuwe dingen moeten leren en die verbinden met de oude. We zullen – vaak door schade en schande – moeten leren wanneer het wijs is om hard te lopen of onszelf juist op te rollen en onze stekels op te zetten. Wijsheid, volharding en onderscheidingsvermogen – we kunnen niet zonder.

Een leerproces aangaan betekent ook niet dat we allemaal op hetzelfde moment hetzelfde proces moeten doormaken. Als kerken verkeren we in verschillende omgevingen. De ontwikkelingen komen op de ene plaats harder aan dan in de andere. Het maakt nogal verschil of je kerk bent in Rotterdam of in Vroomshoop. Wat op de ene plaats heel normaal en vanzelfsprekend lijkt, is voor iemand die ergens anders woont absurd, achterhaald of ongereformeerd. We zullen geduld moeten hebben met elkaar en begrip moeten hebben voor elkaars situatie. Geduld en zelfbeheersing zijn noodzakelijke eigenschappen, als we elkaar willen blijven vinden. En het is wel degelijk mogelijk om ons te oefenen in dat soort eigenschappen!

Ruimte
Om nieuwe dingen te kunnen leren, moeten we ruimte hebben om dingen uit te proberen en te onderzoeken. Die ruimte is er nog niet in alle kerken. In veel kerken waar die ruimte er wel is, is die nog beperkt. Dat is begrijpelijk: er is zoveel om rekening mee te houden en er zijn zoveel verschillende mensen. Vernieuwingen hebben vaak een experimenteel karakter; ze kunnen prachtig uitpakken, maar ze kunnen ook gemakkelijk schade aanrichten. Daarom is het goed dat er niet alleen oude gemeenten zijn, maar ook nieuwe. Ik denk dat elk kerkverband ernaar zou moeten streven om twee sporen te hebben: vernieuwing van bestaande gemeenten (elk in hun eigen tempo) en het stichten van nieuwe gemeenten.

In het afgelopen jaar heb ik meegewerkt aan een boek waarin allerlei voorbeelden van zulke nieuwe gemeenten besproken worden. In dat boek, Als een kerk (opnieuw) begint, laten we zien dat oude en nieuwe kerken elkaar nodig hebben. Nieuwe kerken kunnen leren van de ervaringen die oude kerken hebben opgedaan op het zendingsveld, zij kunnen putten uit hun rijke tradities. Oude kerken kunnen bemoedigd worden door de geestdrift van nieuwe gemeenten en zij kunnen leren van de nieuwe ideeën en vormen die daar ontwikkeld worden.

Waardevolle lessen
Belangrijk is dat we vernieuwen om de goede redenen. Het doel moet altijd weer zijn: de voortgang van het koninkrijk van God. Door opnieuw te beginnen (in bestaande of in nieuwe gemeenten) kunnen we leren wat het betekent om weer afhankelijk en kwetsbaar te zijn, om het niet meer zo precies te weten, om te bidden en te zoeken naar Gods weg. We verlaten de situaties waarin we ons op ons gemak voelen en we begeven ons in nieuw gebied. We doen dat, niet om frustraties te verwerken of ons af te zetten, maar uit verlangen om iets te zien van Gods regering onder mensen die hem nog niet kennen. En al doende merken we dan dat we God meer nodig krijgen, dat ‘zending’ moeilijker is dan we dachten en dat de traditie van de kerk nog niet zo gek is. In zulke situaties leren we de meest waardevolle lessen.

Stefan Paas