Er wordt heel wat onderzocht als het gaat om wel of niet gelovig Nederland. Zo kwam onlangs het rapport uit van het tienjaarlijks onderzoek ‘God in Nederland’, kwam in 2014 het rapport ‘Geloven binnen en buiten verband’ van het Sociaal Cultureel Planbureau uit en verscheen tussendoor nog een onderzoek in opdracht van Trouw naar het gelovig welbevinden van de Nederlander. In de verschillende onderzoeken blijken jongeren elke keer weer een ‘aparte’ doelgroep. Een doelgroep met net iets andere uitkomsten dan de generaties daarboven.

Er wordt heel wat onderzocht als het gaat om wel of niet gelovig Nederland. Zo kwam onlangs het rapport uit van het tienjaarlijks onderzoek ‘God in Nederland’, kwam in 2014 het rapport ‘Geloven binnen en buiten verband’ van het Sociaal Cultureel Planbureau uit en verscheen tussendoor nog een onderzoek in opdracht van Trouw naar het gelovig welbevinden van de Nederlander. In de verschillende onderzoeken blijken jongeren elke keer weer een ‘aparte’ doelgroep. Een doelgroep met net iets andere uitkomsten dan de generaties daarboven.

Zo blijkt voor jongeren de de-institutionalisering van religie -waarbij geloven en kerkgang los van elkaar komen te staan- extra sterk op te gaan. Dat zal overeenstemmen met het beeld dat de meesten van ons hebben waar het jongeren betreft. Opvallend is echter dat in het onderzoek van het SCP gesteld wordt dat er onder de protestantse jongeren een groep is waar juist een revitalisering van de traditionele christelijke geloofstraditie plaats vindt. Zo schrijven ze: “We vonden aanwijzingen dat in elk geval de protestantse kerkelijke jeugd zich juist in de richting van meer kerkelijke deelname en sterkere gerichtheid op kerkelijke voorschriften aan het ontwikkelen is” (p. 69). En schrijft Trouw dat het aantal gelovigen onder jongeren iets hoger ligt dan onder ouderen. Dit wordt toegeschreven aan de levensfase van de jongeren, die op zoek zijn naar houvast in hun leven. Dat klinkt hoopvol!

Houvast
‘Houvast’ is het woord dat door verschillende jonge kerkleden (18-25 jaar) werd genoemd in de gesprekken die ik met hen had. Waarin zij vertelden wat God en het geloof voor hen betekenen. Het geloof in God is voor de meesten van hen een houvast (God als diegene die voor je zorgt) en het geloof in God geeft zin en een doel aan hun leven. Vrijwel elke jongere gaf aan best wat te moeten zoeken naar woorden om zijn/haar geloof onder woorden te brengen: het is iets waar ze mee zijn opgegroeid en ze weten eigenlijk niet anders dan dat het onderdeel uitmaakt van hun leven. Om het dan zo in een paar zinnen te verwoorden, blijkt lastig.

Taalkleed
Ook werd er aangegeven dat praten over geloven iets kwetsbaars is, bij iedereen is dit toch weer net wat anders. Dat maakte het voor sommigen ingewikkeld om er over te spreken omdat het beeld bij hen is ontstaan dat het op een bepaalde manier ‘hoort’. Ik meen dat beeld wel wat te herkennen, dat er een bepaald taalkleed is waarmee we ons geloof verwoorden. Oudere mensen vinden hun geloofsomschrijving vaak in citaten van bijbelteksten en de drie formulieren. Het kan me raken hoe zij hierbij soms zelf ontroerd raken. Achter bijbelse en andere citaten lijkt een haast collectieve geloofsbeleving schuil te gaan, één taal voor één en hetzelfde gevoel. Zo’n collectieve formulering staat vaak ver af van jongeren, die opgroeien in een tijd waarin ze een persoonlijke mening over van alles en nog wat moeten zien te ontwikkelen .
Zij zullen hun eigen verhaal moeten creëren en hun eigen woorden moeten geven aan hun geloof. Belangrijk is het dan ook dat we hen daar, binnen de kerkgemeenschap, bij helpen. We mogen hen vertellen dat God met iedereen zijn/haar eigen weg gaat, aan de hand van ieders persoonlijke verhaal. Voor de één met veel twijfel, voor de ander vol geloofszekerheid. Voor de één met veel hindernissen en voor weer een ander met een duidelijke roeping. We mogen jongeren ondersteunen in het ontwikkelen van geloofstaal en mogen dit onder andere doen door hen te laten delen in onze verhalen van vallen en opstaan. En niet om het geloof op te dringen maar om te getuigen van wat God in ons leven doet. In dit kader wordt me door een aantal jongeren ook het idee aangereikt om meer ruimte te creëren voor getuigenissen, bijvoorbeeld als onderdeel van het onderwijs tijdens de kerkdienst. Jong én oud kunnen geholpen worden aan inzicht in en taal voor hoe God met ons bezig is.

Welke afslag?
Niet elke jongere die ik spreek, is een gelovig kerklid. Eén van hen, wel (nog) lid en niet gelovig, gaf aan nooit een persoonlijke band met God te hebben ervaren. Hij vindt het vervelend dat er binnen de kerk geen ruimte is voor zijn vragen: binnen het jeugdwerk en bijvoorbeeld in de prediking wordt er toch een soort van verondersteld dat je voorgesorteerd staat op geloven en een leven met God. In ons gesprek kwamen we daarbij uit op de metafoor van een snelweg. Zoals hij het ondervindt, is het gesprek in de kerk alleen mogelijk wanneer je al de afslag ‘Christendom’ hebt genomen (of in elk geval voorgesorteerd staat om), terwijl hij zich bevindt op die snelweg en een scala aan afslagen voorbij ziet komen zonder te kunnen kiezen. De vragen die hij stelt, worden beantwoord vanuit de context van die afslag ‘Christendom’ waarbij hij zich veroordeeld voelt over het feit dat hij überhaupt vragen stelt die niet passen binnen die afslag.

De vragen worden wel gesteld, maar de vrager voelt zich niet serieus genomen
Eén van de kerntaken van de kerk is natuurlijk onderwijs geven in het evangelie van Christus. Maar, waar moet deze jongere naartoe die vragen heeft die voorafgaan aan een persoonlijke keuze voor het christelijk geloof? Is hij, zolang hij over de snelweg suist, aan zijn lot overgelaten? Volgens mij ligt daar een uitdaging voor de kerken en een noodzaak: de vragen worden wel gesteld, maar de vrager voelt zich niet serieus genomen. Kunnen we het gesprek blijven voeren, blijvend met de ander meezoeken, ook wanneer het betekent dat we ons zelf wat verder zullen moeten verdiepen in de mogelijkheden langs die snelweg? We willen graag dat een jongere de persoonlijke rijkdom van het evangelie mag ontdekken en dat weerhoudt ons er soms van om met een jongere mee te zoeken. We zijn dan bang dat we iets anders aantrekkelijk maken en we de jongere juist verder bij God vandaan brengen. Terwijl we dan eigenlijk de jongere serieus nemen in zijn/haar zoektocht en laten zien dat we onvoorwaardelijk met hem/haar mee willen zoeken.

Talenten inzetten
Met nog een andere jongere sprak ik over de ‘snelweg’ als metafoor voor een geloofskeuze en ook voor hem is de afslag nog niet duidelijk. De kerk daarentegen is voor hem niet een plek waar hij zich niet serieus genomen voelt, maar een plek waar hij goede gesprekken met leeftijdgenoten kan voeren en waar hij zijn talenten kan ontwikkelen en inzetten. Dit komt naar voren in sommige gesprekken die ik met jongeren voerde: dat de kerk ook de plek is waar ze talenten hebben ontdekt en ontwikkeld. In het recent verschenen boekje van Cors Visser ‘De spelende kerk’ schrijft hij dat wanneer je lid bent van een gemeenschap, je bijna als vanzelf bepaalde vaardigheden en houdingen leert. Hij schrijft: “Wellicht vind je het vanzelfsprekend dat je af en toe een Bijbelstudie leidt, dat je meedoet aan een koortje en daar zaken voor regelt, of dat je meespreekt over het beleid van de kerk en stemt over oudsten, kerkenraadsleden en voorgangers. Maar dat is het helemaal niet. Kerkleden leren vaardigheden en hebben verantwoordelijkheden die andere mensen niet of in mindere mate aanleren.”
Veel van de taken die we uitvoeren, doen we omdat we ze zo met elkaar hebben afgesproken. Maar zeker binnen het jeugdwerk kunnen we dit nog veel beter benutten dan we tot nu toe doen. We kunnen verschillende taken en activiteiten concreet gebruiken om jongeren te helpen hun talenten te ontdekken én in te zetten (binnen en buiten de gemeenschap) om ook op die manier bij te dragen aan hun identiteitsontwikkeling. Ik denk dat we daar vaak niet concreet mee bezig zijn. Niet voor niets noemt Visser het ‘een blinde vlek’. We mogen actief jongeren ondersteunen bij het ontdekken en inzetten van talenten. Het is een spiegel waar we het onderwijs in de kerk eens in mogen bekijken: dragen we actief bij aan het ontdekken en ontwikkelen van gaven die God aan Zijn kinderen geeft? Dat heeft als uitgangspunt dat iedereen in de kerk gaven heeft gekregen en dat iedereen in de kerk serieus genomen wordt. Dat betekent wel dat we een divers aanbod leveren in het onderwijs, dat er ruimte zal zijn voor hart én hoofd én handen. En dat er mensen met de jongeren oplopen die hun gaven kunnen onderscheiden en dit ook kunnen benoemen naar de jongere.

Van elkaar leren
Hans Slotman schrijft ‘Help de jongeren, verander de kerk!’: “Het mag wat kleiner, intiemer, minder formeel, meer ont-moeting”. Deze termen vinden weerklank in de gesprekken die ik heb gevoerd. In één gemeente waar ik jongeren sprak, hebben ze naast ‘gewone’ huisgroepen ook een aantal jongerenhuisgroepen. De manier waarop het merendeel van deze jongeren hun huisgroep omschreef, dekte dezelfde lading als de vier termen van Slotman, met als aanvulling: het mag ook echt wel ergens over gaan. Door de intieme sfeer van de kleine groep is het veilig om met elkaar te spreken over de invulling van je leven en de eventuele plek van het geloof daarin. Het woord ‘leren’ viel daarbij regelmatig: leren van elkaars ervaringen, leren van elkaars kennis en leren van elkaars inzichten.
Opvallend daarbij vind ik dat er werd aangegeven te genieten van het vertrouwelijke in de leeftijdsgroep en het verlangen naar een zelfde soort contact met ouderen. Gesprekken waarbij interesse is in elkaars leven, waarbij het praten over elkaars geloofsweg een plek mag hebben en gesprekken waarin er over en weer geleerd mag worden. De jongeren gaven aan dat zij dat als startpunt zien voor de gesprekken over hoe kerk te zijn in de toekomst: laten we eerst maar eens met elkaar praten over God en onze geloofsbeleving (in kleine, intieme, minder formele en op ontmoeting-gerichte bijeenkomsten). Het elkaar leren kennen en willen leren begrijpen. Het gesprek over de invulling en praktijk van kerk-zijn komt dan daarna wel!

Dit artikel is geschreven door Moniek Mol en gepubliceerd in Dienst. Voor dit artikel heeft zij onder andere gebruik gemaakt van de gesprekken die zij voerde met jongvolwassen gelovigen, in het kader van haar afstudeeronderzoek voor de opleiding Master Social Work. Dit onderzoek kun je hier downloaden.

 
 
 
 
The following two tabs change content below.

Moniek Mol

Weet als enthousiaste en gedreven adviseur de verschillende kanten van een zaak te belichten. Heeft door diverse banen binnen kerkelijk én niet-kerkelijk jeugdland een brede kijk op verscheidenheid van generaties. Houdt van Zijn kerk en wil graag bijdragen aan een bloeiend Koninkrijk. Wil Hem volgen en ziet dit als een groot avontuur. Mail Moniek