Hoe kunnen we leven in een gemeenschap die ondanks groeiende diversiteit toch een eenheid blijft? Kwaliteit realiseren doen we tegenwoordig gewoonlijk door een woud van regels en procedures. Het kerkelijke recept is echter anders.

Hoe je gemeenschappen kunt vormen, is een belangrijk vraagstuk voor beleidsmakers. En dan vooral hoe je gemeenschappen vormt waarin de leden emotioneel en sociaal op elkaar betrokken zijn – Dus niet alleen maar administratief. Burgerlijke gemeenten proberen dit te bereiken door de zorg, het sociaal werk, de jeugdhulpverlening, de GGZ en de opbouw van de cultuur vooral op het niveau van de wijk en buurt te organiseren. De participatiemaatschappij is erop gericht mensen weer voor elkaar te laten zorgen; om hen verantwoordelijkheid voor elkaar te laten nemen zodat de kwaliteit van de buurt en de onderlinge omgang beter worden. Mensen moeten niet afhankelijk zijn van wat lokale en landelijke overheden organiseren, maar zelf de hand aan de ploeg slaan en er samen wat van maken.

Geloofsgemeenschapen
Op een vergelijkbare manier staan ook kerkelijke leidinggevenden voor de vraag hoe ze ieders betrokkenheid bij de lokale en landelijke geloofsgemeenschap kunnen behouden en zo mogelijk kunnen versterken. Het recente rapport God in Nederland maakt duidelijk dat de grote kerken – de Protestantse Kerk in Nederland en de Rooms-Katholieke Kerk – nog steeds leden blijven verliezen en dat de leden die nog wel ingeschreven staan nog maar weinig aan de geloofsactiviteiten deelnemen. Slechts kleine groepjes blijven actief, en die groepjes kenmerken zich vaak door een tamelijk traditionele kerkopvatting en relatief orthodoxe geloofsinhouden. Voor de kleinere gereformeerde kerken is de leegloop aanmerkelijk minder, maar ook daar merken beleidsopmakers dat vooral de betrokkenheid van de jongere generaties aan het afnemen is – zeker waar het de vervulling van meer traditionele taken en activiteiten betreft.

De boel bij elkaar houden
‘Hoe houd je de boel bij elkaar’ en ‘hoe houd je de zaak levend zijn daarmee twee actuele vragen binnen en buiten de kerk. En daarbij: hoe krijg je dat voor elkaar in een tijdperk waarin mensen zich niet meer door traditionele structuren laten leiden? Politici kunnen ons allerlei idealen voorhouden, maar hun geloofwaardigheid is bijna nooit zo laag geweest als nu. Kerkelijke leiders kunnen fraaie woorden spreken, maar ook die zijn voor mensen zowel binnen als buiten de kerk vaak niet meer dan retoriek. Zelfs vakbonden worstelen met lage ledentallen en vragen zich af wie zij eigenlijk nog vertegenwoordigen. En als ze dat zelf niet doen, dan doen de werkgeversorganisaties dat wel voor hen. Dat betekent eigenlijk dat de vraag aan de orde is of groepen zichzelf in stand kunnen houden: of gemeenschappen zichzelf kunnen vormen en ontwikkelen zonder enige sturing van bovenaf of van buitenaf.
Ook of zulke gemeenschappen dan in staat zijn zichzelf te reguleren en hoe die regulatie er dan uitziet. In sociologische en bedrijfskundige theorieën wordt de vraag ‘kunnen gemeenschappen zichzelf vormen en ontwikkelen?’ positief beantwoord. Er wordt dan gesproken over ‘autopoietische’ gemeenschappen of systemen – autopoiese betekent letterlijk: zelfproductie.

Procedures
De organisatiekundige Gareth Morgan beschrijft in zijn boek Beelden van organisatie een autopoietische organisatie als een organisatie die zichzelf voortbrengt op een geheel eigen manier, met een geheel eigen structuur en een geheel eigen karakter. Zo’n organisatie kun je vergelijken met een kwaliteitssysteem waarin procedures een centrale rol spelen. Elke beslissing dient dan
genomen te worden volgens een bepaalde procedure om een goede kwaliteit te garanderen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de beslissing om een bepaald product in de handel te brengen. Wil je dit
product succesvol verkopen, dan moet het product aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. Dat betekent dan bijvoorbeeld dat er stappen genomen moeten worden om tot procedures te komen die de aanschaf van de juiste grondstoffen garanderen. Het betekent ook dat er deskundige mensen in dienst genomen moeten worden, wat op zichzelf weer bewaakt moet worden met procedures. Het oorspronkelijke, uit procedures bestaande kwaliteitssysteem, roept steeds gedetailleerdere kwaliteitssystemen op deelterreinen op, met steeds gedetailleerdere procedures op die deelterreinen. Enzovoorts. De ‘protocollisering’ in de zorg- en welzijnssector is een fraai voorbeeld van een proces van autopoiese: het systeem roept zichzelf op en vermenigvuldigt zichzelf bijna tot in het oneindige. De socioloog Niklas Luhmann beschrijft soortgelijke verschijnselen voor sociale gemeenschappen in zijn boek Social Systems. Een gemeenschap kan zichzelf vormen en in stand houden, en zich zelfs door ontwikkelen in steeds gedetailleerdere vormen. En hoewel dit natuurlijk kan doorschieten – zoals bij de protocollisering van de zorg – is een goede organisatie van een gemeenschap, met goede afspraken en goede steun voor alle leden, een ideaal dat veel wereldbewoners graag verwezenlijkt zouden willen zien. Zeker degenen die lijden onder dictators, religieuze fanatici, oorlogsgeweld of corruptie.

Betekenis
Luhmann wijst erop dat een goede autopoietische gemeenschap – een die niet ten onder wil gaan aan een overdaad aan detaillering – gestuurd moet worden door meaning; dat is een door de leden gedeelde ‘betekenis’. Niet alleen de goede structuren, de goede regels en de goede processen zijn van belang, het gaat ook om: ‘waarom’ doen we dit en ‘waartoe’ doen we dit. Want alleen ‘betekenis’ kan steeds de vraag aan de orde stellen of wat we doen nuttig is en of de dingen die we doen bijdragen aan het welzijn van het gehele systeem. Vervolgens is de vraag dan of je zoiets kunt organiseren.

Gemeenschapszin
De andragoog Gerard Donkers houdt zich al een aantal jaren bezig met het bijstaan van groepen mensen in wat hij noemt ‘zelfregulering’. Het gaat dan om een cyclus waarin mensen drie dingen leren. Allereerst de situatie en de eigen invloed daarop inschatten. In de tweede plaats nadenken over het doel dat ieder van de betrokkenen nastreeft, en ten slotte leren doelmatig te handelen om de situatie dusdanig te beïnvloeden dat de eigen doelen (ook) gerealiseerd kunnen worden.
In zijn boek Grondslagen van veranderen geeft Donkers voorbeelden van allerlei situaties waarin groepen door deze zelfregulering beter als groep, als gemeenschap leerden functioneren. Daarnaast vraagt ook Donkers echter aandacht voor betekenis, voor ‘referentiewaarden’. Het gaat dan om de verschillen tussen de actuele situatie en wat als uiteindelijk doel nagestreefd wordt.
Wanneer mensen die drie elementen goed hanteren – de situatie inschatten, kennis opbouwen over ieders referentiewaarden en passend gedrag vertonen richting de gewenste doelen – komen ze niet alleen tot oplossingen voor concrete vraagstukken, maar ontstaat er ook een dieper gevoel van verbondenheid en gemeenschapszin.
Lastig zijn in de praktijk vooral de situaties waarin mensen met heel verschillende en elkaar uitsluitende doelen toch samen de toestand leefbaar moeten houden. Daarvoor is nodig dat alle betrokkenen ruimte te geven aan doelen die niet in overeenstemming zijn met hun eigen fundamentele overtuigingen, en die er soms zelfs helemaal mee in strijd zijn. In de kerk gebeurt dat bijvoorbeeld wanneer je als meer traditioneel gereformeerde regelmatig in een samenkomst opwekkingsliederen ‘moet’ zingen. Of wanneer je als meer evangelisch christen merkt dat in jouw gemeente het zingen met opgeheven handen niet echt aanslaat en mensen je een beetje vreemd blijven vinden. Ook in Bijbelboek Efeze, hoofdstuk 4, is in wezen sprake van een autopoietisch proces. Daar gaat het om de opbouw van de geloofsgemeenschap in een proces van liefhebben – vanuit de kern Jezus Christus. Vers 16 noemt dit proces ‘zichzelf opbouwen in de liefde’. Het proces van liefhebben leidt tot een opbouw in liefhebben. En die opbouw in liefhebben – leren lief te hebben – leidt tot de ontdekking dat er dan meer liefde ontstaat. Liefde leidt tot liefde. En liefde die zo voortkomt uit de liefde van ieder gemeentelid voor Christus – als antwoord op de liefde die Christus eerst voor ons had – leidt niet tot een autopoiese waarin het systeem alleen maar knellender wordt en waarin we steeds verder bureaucratiseren en steeds meer procedures krijgen. Volgens vers 16 leert die liefde juist verschil te zien en dat verschil te erkennen, te waarderen en te benutten. Die liefde leidt tot liefde in verschil; tot het kunnen zien van de medegelovige in zijn eigenheid, in de doelen die bij die ander passen, in het nastreven van referentiewaarden die niet alleen goed zijn voor jezelf, maar die ook goed zijn voor de ander en hem ruimte bieden.

Volheid in de Heer
Liefde in de christelijke gemeenschap is zo geen softe kracht die van alles onder het tapijt schuift – dat is eigenlijk onverschilligheid onder het mom van respect voor verschil. Liefde is dan vooral een kracht die sterk en doordringend en vernieuwend is, en die zichzelf versterkt. Daarin vormt de gemeente zich steeds verder tot een nieuwe gemeenschap, in alle verscheidenheid van de relaties die mensen met Jezus Christus hebben. Met als belofte: een goed sluitend geheel, toegegroeid naar de volheid van het leven met de Heer zelf.

Dit artikel is gepubliceerd in het Friesch Dagblad van zaterdag 13 augustus 2016

The following two tabs change content below.
Is verantwoordelijk voor de afstemming van de vragen uit de kerken, uit de theologische opleidingen en van de adviseurs en onderzoekers. Dienst aan de kerken in praktische zin in combinatie met dienst aan de (wetenschappelijke en praktische) doordenking van ons leven als volgeling van Jezus Christus. Met elkaar onderweg naar het nieuwe Koninkrijk van God, geleid door de Geest onder een open hemel. mail Henk