Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft. (Johannes 3:16).

Deze overbekende tekst nemen we als uitgangspunt als we ons gaan verdiepen in de plaats die de kinderen krijgen in de Bijbel. En de kennis die we daarover opdoen vertalen we naar de plaats die kinderen hebben in de gemeente.

Naar Gods beeld geschapen
God heeft de aarde gemaakt. En het was goed. Hij heeft de aarde met liefde geschapen. En als kroon op de schepping maakte Hij de mensen. Met een duidelijke taak: zij mochten onderkoning worden. Ze werden verantwoordelijk voor het onderhouden van Gods prachtige wereld.

Er staat in Genesis 1: 27: “God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen.” Toen God de mens schiep en alles was goed, in het paradijs, leek de mens op God. Hij had dezelfde eigenschappen als God: liefdevol, heilig, trouw en met een zuivere wil. Hij hield van de aarde en de schepping en had het beste met de wereld voor, net als God. God vertrouwde de wereld toe aan iemand die er zijn hart in zou leggen, zoals God zelf dat ook zou doen.

Maar dan valt er een schaduw over dit mooie begin: de zondeval. Na de zondeval valt het beeld van God in stukken. Wat er overblijft, is niet meer dan een schaduw van hoe God de mensen bedoeld heeft. Als je naar de mens kijkt kun je nog steeds God eigenschappen er in terugvinden. We doen nog steeds goede dingen, hebben besef van goed en kwaad en voelen aan dat onze keuzes consequenties hebben. Maar God heeft de mensen niet losgelaten. Hij heeft ze zelfs niet ontheven uit hun functie. Er kwam wel afstand tussen God en mensen. Het uitvoeren van hun taak, namelijk de aarde verzorgen en bevolken, wordt moeilijker. Maar het blijft de opdracht die God de mensen meegeeft. God benadrukt ook in deze gebroken wereld om God én de naaste lief te hebben.

Kijken naar kinderen
Onze genadige God koos ervoor om in die gebrokenheid een belofte uit te spreken: op een dag maak ik alles goed en zullen jullie weer mensen kunnen zijn zoals ik die bedoeld heb. Zijn liefde voor ons en Zijn wil om die liefde door te geven is niet gebroken, maar blijft krachtig en oneindig voor ons stromen door Zijn hart. Daarom gaf Zijn Zoon Zijn plaats in de hemel op, om die band tussen God en mensen weer te herstellen. De liefde van God werd daarin tastbaar: een mens zoals wij. Zo komen we uit bij Johannes 3: 16 en bij ons uitgangspunt om naar de kinderen in de gemeente te kijken. We zijn allemaal beelddragers van God. Allemaal in staat om lief te hebben en die liefde uit te delen. Wij moeten leren om zo naar onze kinderen te kijken, zoals God naar zijn kinderen kijkt. Want wij zijn, ook voor onze kinderen, Gods vertegenwoordigers op aarde. Dat bepaalt ten diepste hoe we met elkaar en met onze kinderen omgaan. Dat bepaalt ook de plek die de kinderen in de gemeente krijgen. Ook zij zijn beelden van God en ook zij mogen, dankzij Gods zoon, uitgroeien tot volwassen vertegenwoordigers op aarde, als zij in Christus geloven. God wil de opvoeders in de gemeente gebruiken om de kinderen bij Hem te brengen en Hem te leren kennen.

Kinderen zijn door God gemaakt en aan ons gegeven. David spreekt hierover in Psalm 139: 15,16: “Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de schoot van de aarde, was mijn wezen voor u geen geheim. Uw ogen zagen mijn vormeloos begin, alles werd in uw boekrol opgetekend, Aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.”

Kinderen in het Oude Testament
In het Oude Testament staan heel veel aanwijzingen over hoe God wil dat we met onze kinderen omgaan. Hij vertelt ons hoe we naar kinderen moeten kijken, welke plek we ze moeten geven in het gezin en in de gemeenschap, hoe we ze moeten opvoeden en hoe we ze bij het leven met God kunnen betrekken. God wijst er zelf elke keer op dat de kinderen betrokken bij en onderwezen in het leven met God moeten worden. Een duidelijke opdracht geeft God aan de ouders via Jozua. In Jozua 3 en 4 staat het verhaal van de doortocht door de Jordaan. Nadat het volk de rivier over is gegaan stuurt Jozua de stamhoofden van iedere stam van Israël terug om een steen uit het water te nemen. Van die twaalf stenen maken ze een stapel. Die stapel stenen is een teken van het wonder van de droge Jordaan. Jozua zegt dan tegen het volk: “Wanneer uw kinderen later vragen wat deze stenen betekenen, dan moet u hun het volgende vertellen […]” (vers 21 en 22). Die stenen zijn monumenten. Je kunt het teken aangrijpen als reden om Gods Naam groot te maken voor je kinderen. Die momenten zijn er ook in ons leven. Bij gebeurtenissen zoals geboorte, doop, verjaardagen en jubilea kunnen we over Gods grote daden vertellen.

Maar God wil meer. Als Mozes de geboden van de Here doorgeeft aan het volk spreekt hij de volgende woorden in Deuteronomium 11: 2, 3:

Wees u ervan bewust dat uw kinderen geen getuige zijn geweest van de opvoeding die de Heer u gaf, en niet met eigen ogen zijn grootheid hebben gezien, zijn sterke hand en opgeheven arm. Wat weten zij van de wonderen en daden die hij in Egypte verrichtte, ten koste van de farao en zijn hele volk?

Daarna volgt een korte opsomming van die grote daden en voorschriften voor in het nieuwe land. Daarna is de conclusie van Mozes, Deuteronomium 11: 18-21:

Houd mijn woorden dus in gedachten, maak ze u eigen, draag ze als een teken om uw arm en als een band op uw voorhoofd. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis, onderweg, als u naar bed gaat en als u op staat. Schrijf ze op de deurposten van uw huis en op de poorten van de stad. Dan zullen u en uw kinderen lang mogen wonen in het land dat de heer uw voorouders onder ede heeft beloofd, zolang de hemel boven de aarde staat.

Uit deze tekst blijkt duidelijk dat kinderen onderwezen moeten worden om het geloof in de geslachten door te geven. God hecht daar een groot belang aan. Dat blijkt weer uit deze tekst en zo staan er een groot aantal opdrachten van God in het Oude Testament waar God wijst op het belang van het geloof doorgeven aan de kinderen. Enkele voorbeelden zijn Exodus 12: 26, daar geeft Mozes duidelijke voorschriften om de kinderen op eenvoudige manier uit te leggen waarom het Pesachoffer wordt gebracht. In Deuteronomium 6:7 wordt een heel duidelijke opdracht gegeven om altijd met je kinderen over God te praten. En in vers 20 van datzelfde hoofdstuk worden eenvoudige antwoorden gegeven op de vragen die kinderen kunnen stellen bij de wetten en de regels van de Heer. Spreuken 22 vers 6 erkent de ontvankelijkheid van een kind voor de opvoeding. Jong geleerd is oud gedaan, zeg maar. Zo zie je dat opvoeden en onderwijzen niet alleen gebeurt op de momenten die gewijd zijn aan God. Het dagelijkse leven moet vervuld zijn met verwijzingen naar Gods grote daden. Thuis, onderweg, bij het slapen gaan en bij het opstaan. Net als God ons omringd (Psalm 139) moeten wij onze kinderen omringen met God.

Uit al deze opdrachten blijkt dat God vindt dat kinderen bij het volk horen. Hij sluit Zijn verbond dan ook niet alleen met Abraham, maar met Abraham en zijn kinderen. God wil dat Abraham en zijn nageslacht hun kinderen besnijden op de achtste dag na de geboorte (Genesis 17:12). Dit was in die tijd uitzonderlijk. In de volken rond Abraham was de besnijdenis vaak een initiatierite voor jongen die man werden. God gaf de opdracht om jongetjes van acht dagen oud al te besnijden, als teken van het verbond wat hij met Abraham sloot. De eisen, maar vooral de beloften van het verbond gelden voor iedereen van het volk, van jongs af aan. Kinderen horen erbij. Dit herhaalt God op de Sinaï (Exodus 19,20 e.v.; Leviticus 12:3)

Geschenk van God
Naast dat de Bijbel benadrukt dat de ouders verantwoordelijk zijn voor de opvoeding en vorming van hun kinderen wordt er ook steeds benadrukt dat kinderen een geschenk zijn van God. De psalmen 127 en 128 bejubelen de kinderen als „een geschenk van de Heer‟, „beloning van God‟, „pijlen in je koker‟ en „een kring van jonge olijfbomen om je tafel‟. Allemaal omschrijvingen die weergeven wat een geschenk kinderen zijn. Ze brengen vreugde in je huis. In de tijd van Israël was het ook een garantie voor het voortbestaan van je familie. Kinderen maken je rijk. Toen heel praktisch, maar ook nu nog. Door hun frisse blik op het leven kun je van ze leren. Ze zijn flexibel en afhankelijk en dat maakt hun manier van leven als een voorbeeld voor ons. Dit komt ook weer terug in Jezus‟ woorden over kinderen in het Nieuwe Testament, zie verderop in dit artikel.

Priester Jojada en koning Joas
Een prachtig praktijkvoorbeeld is de geschiedenis van koning Joas, 2 Kronieken 24. Joas is pas 7 jaar als koning wordt. Een kind nog. Dit kind wordt opgevangen en opgevoed door een priester, Jojada, die kennis had van God en het geloof niet was kwijtgeraakt. Hij had grote invloed op Joas zolang hij leefde. Joas maakte keuzes die zijn voorgangers niet gemaakt hadden. Hij wilde de tempeldienst herstellen. Als Jojada sterft krijgt hij een Koninklijke begrafenis. Zo belangrijk was Jojada voor Joas.
Schrijnend in dit verhaal is de afloop. De invloed van Jojada valt snel na zijn dood weg en Joas luistert naar de verkeerde mensen. De waarden van Jojada zijn kennelijk niet in zijn hart geland. Om de een of andere reden is Jojada er niet in geslaagd het innerlijk van de jongen te vormen. De zoon van Jojada verschijnt nog ten tonele en die heeft het geloof van zijn vader duidelijk wel zich eigen gemaakt.
Uit dit verhaal leren we dus hoe belangrijk het voorleven van het geloof is, maar dat het bereiken van het hart daarmee niet gegarandeerd is. Ieder kind moet uiteindelijk zelf kiezen of de weg van God ook zijn of haar weg zal worden.
Andere belangrijke personen in het Oude Testament worden als kind al geroepen door God. Denk aan David, de jongste van de zonen van Isaï, zo onbelangrijk dat hij niet eens werd geroepen toen Samuël langskwam. Denk aan Samuël zelf, wiens leven al aan de Heer werd toegewijd voordat het bestond. Denk aan Mozes, die als baby al gered werd om het volk uit Egypte te kunnen leiden. En Isaäk, die pas geboren werd als stamhouder toen het menselijk gesproken niet meer mogelijk was. Naäman werd door zijn dienstmeisje naar Elisa gestuurd. Zij getuigde van de God die ze in haar kinderjaren had leren kennen.

Dromen dromen
Een andere tekst waaruit blijkt hoeveel belang God hecht aan kinderstemmen is Joel 3: 1-2: „Daarna zal zich dit voltrekken: Ik zal mijn geest uitstorten over al wat leeft. Jullie zonen en dochters zullen profeteren, oude mensen zullen dromen dromen en jongeren zullen visioenen zien; zelfs over slaven en slavinnen zal ik in die tijd mijn geest uitgieten.‟
God spreekt hier via Joël over de meest onbetekende groepen van de toenmalige samenleving. Hij zal ze gebruiken om Zijn naam groot te maken en Zijn komst en Zijn boodschap bekend te maken. Ze zijn het waard. Wij moeen de woorden, de stemmen van kinderen die spreken over God serieus nemen en laten klinken. God zal ze gebruiken, Hij wíl ze gebruiken.

Joodse traditie
Deze twee Bijbelse gegevens zien we terug in de geloofsopvoeding in de Joodse traditie. De kinderen worden al vroeg opgevoed en onderwezen in de Thora. Voor jongens en meisjes is dit een aparte weg. Meisjes krijgen praktisch onderwijs over spijswetten en andere voorschriften. Jongens bestuderen de Talmoed. Dit leidt uiteindelijk tot de Bat en Bar Mitswa. Meisjes doen Bat Mitswa als ze 12 zijn, jongens doen hun Bar Mitswa als ze 13 zijn. Dan zijn ze klaar om goede daden (de letterlijke betekenis van Bar en Bat Mitswa is zoon en dochter van het gebod) te doen.

En ze worden bij het geestelijk leven betrokken. Tijdens de Pesachmaaltijd mag het jongste kind de „waarom‟-vragen stellen die de verschillende onderdelen van de maaltijd uitleggen. Kinderen krijgen al vroeg voorgedaan hoe een tefilien, een gebedsriem, omgedaan wordt. En al snel leren ze de dag te beginnen met een gebed om God te danken en om vergeving en een zegen te vragen. In het Joodse onderwijs wordt heel planmatig gewerkt aan een goede godsdienstige opvoeding.

Lessen uit het Oude Testament en de Joodse traditie
Zo leren we uit het Oude Testament en de Joodse traditie hoe we in de gemeente naar de kinderen moeten kijken en hoe we met ze moeten omgaan.

In de eerste plaats leren we dat de kinderen er helemaal bijhoren. De reden daarvoor is dat God ook met hen het verbond heeft gesloten en Zijn beloften dus ook voor hen gelden. Die beloften hebben echter als voorwaarde dat ze zich houden aan de regels van het verbond (de wet) omdat ze dan een lang en gelukkig leven zullen hebben. Die regels moeten voorgeleefd en uitgelegd worden, ondersteund met beelden, zoals de 12 stenen in de Jordaan.
Opvallend is ook dat God niet alleen spreekt tegen de ouders, maar tegen het hele volk. Ieder die onder het verbond valt, heeft daarin verantwoordelijkheid naar de kinderen toe.
In het voorbeeld van priester Jojada en koning Joas zien we hoeveel invloed volwassen mensen kunnen hebben op het leven en handelen van de kinderen. Zo heeft ook onze opvoeding onschatbaar veel invloed op het leven en handelen van onze kinderen later. Dat geeft een enorme verantwoordelijkheid. God wil dat we die verantwoordelijkheid dragen in Zijn licht, zodat onze kinderen Hem leren kennen door ons heen.
God vindt kinderen van zo‟n grote waarde dat Hij ze zal gebruiken om Zijn komst aan te kondigen. Zij zullen dromen dromen en visioenen zien, Hij wacht niet af tot ze volwassen zijn, maar kan ze al gebruiken in hun jeugd. Laat dat ook voor ons een voorbeeld zijn.

De Joden hebben in hun tradities vormen gegeven aan de opdrachten van God. Zij betrekken kinderen bij hun eredienst door ze al vroeg te onderwijzen in de Thora en ze handelingen aan te leren die horen bij het dienen van God. Welke handelingen leren wij onze kinderen?

Het verbond en de kinderdoop
Een belangrijk gegeven uit het Oude Testament is het verbond. Als je over het verbond spreekt kom je al snel bij het teken van de kinderdoop, zoals dat bediend wordt in de gereformeerde kerken. In het doopformulier uit de Liturgische formulieren v van de gereformeerde kerken (vrijgemaakt) staat hierover het volgende:

De kinderen van gelovige ouders ontvangen de heilige doop als afbeelding en garantie van het verbond dat God ook met hen gesloten heeft, al begrijpen ze hier nog niets van. Voor Hem horen ze er helemaal bij.

En de praktische uitwerking die dit heeft in de opvoeding van de kinderen wordt verderop in het formulier beschreven:

Op grond van deze beloften van de drie-enige God horen gelovige ouders dagelijks voor hun kinderen te bidden om de vervulling van die belofte. Zij moeten hun kinderen van jongs af aan leren ook zelf daarom te bidden in het vaste vertrouwen dat de Heer deze gebeden zal verhoren. Ouders zijn in de opvoeding geroepen hun kinderen te leren diep ontzag voor de Heer te hebben. Ze moeten hun kinderen voorgaan in het vertrouwen op God en in het leven met Hem.

Ook in onze tijd wordt er dus beleden dat het kind erbij hoort en dat het opgevoed moet worden in het geloof. Nu eens kijken hoe Jezus zelf aandacht heeft gegeven aan de kinderen.

Kinderen in het Nieuwe Testament
Zoals in het Oude Testament God weerspiegeld werd in priesters en profeten, zo kunnen we God in het Nieuwe Testament zien in Jezus. Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Mens zoals een mens bedoeld is, zoals God hem oorspronkelijk geschapen heeft.

Jezus
De Here Jezus werd geboren als kind. Het was kennelijk belangrijk dat Jezus vanaf begin leerde compleet mens te zijn. Dus Jezus was een klein en afhankelijk baby‟tje en groeide op, werd dreumes, peuter, kleuter, kind, puber… Hij kreeg onderwijs in de Thora zoals alle Joodse jongetjes. Hij ging mee naar de synagoge en naar de tempel. Hij speelde met andere kinderen en werd geconfronteerd met leven en dood. Op zijn dertiende deed hij Bar Mitswa en was hij een volwassen man. Hij mocht mee naar de tempel en was leergierig naar de dingen van Zijn Vader. Zoals het voor veel mensen een troost is dat Jezus mens was en onze gevoelens kent en heeft meegemaakt, zo is Jezus ook kind geweest. Hij kent de vreugde en het verdriet van een kind. Hij kent het opgroeien, het ontwikkelen, de nieuwsgierigheid, de ontdekkingstocht. Hij kent alle dingen die eigen zijn aan een kind.

Verder leren we in het Nieuwe Testament over Jezus dat Hij een groot hart had voor de mensen in de samenleving die achtergesteld werden. Hij gaf om weduwen, tollenaars, hoeren en kinderen. Vaak ruimde hij speciaal tijd voor hen in, tegen de verwachting van de discipelen in. We lezen bijvoorbeeld in Marcus 14 het verhaal van een vrouw die tijdens een maaltijd Jezus‟ voeten zalft met heel dure olie. De discipelen irriteren zich hieraan en laten dat ook aan haar merken. „Ze voeren tegen haar uit‟ (vers 5). Jezus zegt dan: ‘Laat haar met rust, waarom vallen jullie haar lastig? Ze heeft iets goeds voor mij gedaan. Want de armen zijn altijd bij jullie, en jullie kunnen weldaden aan hen bewijzen wanneer je maar wilt, maar ik zal niet altijd bij jullie zijn. Wat ze kon, heeft ze gedaan: ze heeft mijn lichaam nu al met olie gebalsemd, met het oog op mijn begrafenis. Ik verzeker jullie: waar ook maar ter wereld het goede nieuws verkondigd wordt, zal ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan.’

De kinderzegening


Jezus laat Zijn hart voor kinderen zien in het verhaal van de kinderzegening. Mensen, we nemen altijd aan dat dit de ouders zijn, proberen hun kinderen bij Jezus te brengen. Ze willen dat Hij de kinderen aanraakt en zegent. Ze zijn zich ervan bewust wat een aanraking van Jezus kan betekenen voor hun kinderen. Maar de discipelen zien het anders. Jezus is in gesprek met Farizeeën (Mar. 10:1-12) en zijn leerlingen denken dat hij geen tijd heeft voor „lastige‟ kinderen. Je verbazing hierover neemt toe als je je realiseert dat in Marcus een hoofdstuk eerder, Jezus het kind nog als voorbeeld heeft gebruikt: „Ze kwamen in Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg hij hun: ‘Waarover waren jullie onderweg aan het redetwisten?’ Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen de belangrijkste was. Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’ 36 Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm eromheen en zei tegen hen: 37 ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.‟
Hier benadrukt Jezus zijn hart voor de minderbedeelden in de samenleving. Een kind, onbetekenend in de volwassen wereld. En ze praten met Jezus daarover. Hoe moeten we omgaan met hen die het minder hebben, die niet meetellen, die niet voor vol worden aangezien? En Jezus waarschuwt hen: „Wie een van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, zou beter af zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee gegooid werd.‟ Wat een waarschuwing! Jezus hart gaat uit naar kinderen en zwakken. En wat schets dan je verbazing: een hoofdstuk verder willen de discipelen de kinderen wegsturen. Ze zijn lastig, Jezus heeft het natuurlijk veel te druk. Maar nee, Jezus heeft het niet te druk. Hij corrigeert zijn leerlingen en roept de kinderen bij zich. Wat een bijzonder moment, voor de kinderen, voor de discipelen en ook voor ons. Hij neemt de tijd voor de kinderen, hij zet ze op schoot, raakt ze liefdevol aan en zegent ze. Hij laat Zijn hart spreken.
Hij neemt ze ook als voorbeeld voor ons. We kunnen heel veel leren van de manier waarop kinderen in het leven staan. Ze zijn flexibel en afhankelijk en ontvankelijk om dingen te leren en hun gedrag daarop aan te passen. Jezus wil dat wij worden als een kind, afhankelijk van en ontvankelijk voor God.

Weid mijn lammeren
Een andere passage uit het Nieuwe Testament waar vaak naar verwezen wordt als er over kinderen in Bijbel gesproken wordt is Johannes 21: 15-17: Toen ze gegeten hadden, sprak Jezus Simon Petrus aan: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, meer dan de anderen hier?’ Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.’ Hij zei: ‘Weid mijn lammeren.’ Nog eens vroeg hij: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je me lief?’ Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.’ Jezus zei: ‘Hoed mijn schapen,’ en voor de derde maal vroeg hij hem: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van me?’ Petrus werd verdrietig omdat hij voor de derde keer vroeg of hij van hem hield. Hij zei: ‘Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u houd.’ Jezus zei: ‘Weid mijn schapen’.
Jezus geeft hier de opdracht aan Petrus om Zijn kudde te weiden. Jezus‟ zelf heeft zich vergeleken met een goede herder. Petrus krijgt die taak, nu dat Jezus weer naar de hemel gaat. Opvallend is dat de lammetjes en de schapen beide genoemd worden. De lammetjes van de kudde zijn kwetsbaar en blijven soms achter, moet gedragen en soms extra verzorgd worden. Zo is het ook in de gemeente van Christus. De kudde is de gemeente, deze bestaat uit lammetjes en schapen, kinderen en volwassen, beide met hun eigen plek en hun eigen behoeften. Er wordt hier door Jezus aan de kinderen van de gemeente gedacht en op hen gewezen.

Intocht in Jeruzalem
Nog een mooi verhaal uit de Evangeliën is het verhaal van de intocht in Jeruzalem. In Matteüs wordt dit verhaal uitgebreid vertelt. Een spontaan feest barst los, rond Jezus die op een ezel naar Jeruzalem rijdt. In de tempel zorgt Jezus voor tumult. Dat merken ook de farizeeën en daar komen ze op af. En dan horen ze de kinderen zingen: ‘Hosanna voor de Zoon van David!’. Dat schiet in het verkeerde keelgat. En ze gaan op hoge poten naar Jezus toe. Jezus reageert met Zijn gewoonlijke kalmte: jullie kennen de Bijbel toch? Staat er niet geschreven: ‘Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt u zich een loflied laten zingen.’ Prachtig hoe hij de kinderen hier in hun waarde laat en ze Zijn koningschap laat bevestigen.

Timoteüs
Uit het Oude Testament haalden we het verhaal van Jojada aan, als voorbeeld van iemand die met God werd opgevoed. In het nieuwe Testament is ook zo‟n voorbeeld: Timoteüs. Hij werd door zijn moeder en grootmoeder onderwezen in de Bijbel en in de betekenis van Jezus Christusxi. En hij, in tegenstelling tot Jojada, maakt het geloof zich eigen en richt zijn eigen leven in op basis van het geloof. Hij wordt vertrouweling van Paulus. En Paulus benadrukt in zijn brieven ook hoe belangrijk de moeder en oma van Timoteüs geweest zijn voor de ontwikkeling van zijn geloof. Een hoopgevend voorbeeld voor de opvoeders van vandaag. Als wij onze kinderen over Gods grote daden vertellen en in ons leven het leven met Hem voorleven gebruikt God dit om het geloof in de harten van onze kinderen tot bloei te laten komen.

Voor u is de belofte en voor uw kinderen
De laatste tekstplaats in het Nieuwe Testament waar ik aandacht aan wil geven is Handelingen 2. De Heilige Geest wordt uitgestort, Jezus‟ plaatsvervanger op aarde. Hij zal de discipelen, en ons, helpen om de boodschap van Jezus ons eigen te maken en ernaar te leven. De mensen in Jeruzalem horen vreemde geluiden en zien vreemde dingen. De discipelen zijn vol van God en verkondigen de boodschap van Jezus als nooit tevoren. Petrus neemt het woord en verklaard wat er gebeurt aan de hand van het tekstgedeelte uit Joël (zie eerder dit artikel) over de uitstorting van de Heilige Geest. Als hij uitgesproken is zijn veel mensen onder de indruk en willen ze weten hoe ze ook bij Jezus kunnen horen. „Petrus antwoordde: ‘Keer u af van uw huidige leven en laat u dopen onder aanroeping van Jezus Christus om vergeving te krijgen voor uw zonden. Dan zal de heilige Geest u geschonken worden, want voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.‟ (Hand. 2: 38-39). Net zoals in het oude verbond werkt deze belofte door generaties heen. Hij is ook voor de kinderen. Zij mogen zich in Jezus geborgen weten.

Lessen uit het Nieuwe Testament
Terug naar de tekst waar we mee begonnen zijn. Jezus is gekomen als een belichaming van de liefde van God voor wie in Hem geloofd. Met zoveel liefde kijkt God naar ons en naar onze kinderen. En zo moeten wij ook naar onze kinderen kijken, als beelddragers van God, die heel kunnen worden in het licht van Jezus‟ dood en opstanding. Dat doel moeten we voor ogen houden als we werken met en spreken over kinderen in de kerk.
Van Jezus leren we twee dingen. Hij gaf de kinderen prioriteit. Hij was druk bezig met de leiders van toen, toen de kinderen bij Hem kwamen. En hij zag ze, sprak met ze, gaf ze wat ze nodig hadden. Dat is ook onze taak nu. We moeten oog hebben voor de lammetjes van de kudde. Ze verdienen hun eigen plek aan benadering.
Het tweede wat opvalt, is dat Jezus Zijn leerlingen berispt, de leiders van de latere gemeente, voor hun gedrag naar de kinderen toe. Laat ze bij me komen, zegt Hij, ze horen erbij, verdienen een plaats, verdienen aandacht op hun eigen niveau. De leiders van de gemeente moeten ook de kinderen voor ogen hebben. Als wij in de gemeente iets voor de kinderen willen doen, moeten de leiders van de gemeente daarachter staan en dat laten zien in hun houding en in de beleidsplannen die ze maken. Jezus gebruikt het gedrag van de kinderen zelfs om de leiders van Israël, de farizeeën en Schriftgeleerden te onderwijzen, tijdens de intocht in Jeruzalem. Zo mogen wij ons ook laten onderwijzen door onze kinderen.
En dan de voortzetting van het verbond. De kinderdoop en de tekst uit Handelingen 2 zijn nauw met elkaar verbonden. De belofte is voor hen die gaan geloven en hun kinderen. De kinderen worden betrokken bij de gemeente die ontstaat na de eerste Pinksterdag. Ze horen erbij.

En nu… vandaag!
Wat betekenen al deze ontdekkingen nu voor de kerk van vandaag? Zoals we hebben gezien valt er veel te leren uit de Bijbel en de Joodse traditie over geloofsopvoeding en over de plek van kinderen in de gemeente. Het past ons onze houding kritisch te bekijken en na te gaan of we naar de kinderen kijken zoals Jezus dat deed. Geven we ze de tijd en aandacht die ze nodig hebben? Krijgen ze hun eigen plek in de gemeente en staan ze daarmee in het midden van de gemeente als deel van het geheel, zoals ook de ouderen, de jongvolwassenen, de zieken, de gehandicapten, de jongeren hun eigen plek innemen in de gemeente. Is er plaats voor de eigenheid van de kinderen? En hoe zit het met de leiders van de gemeente? Hebben zij de kinderen voor ogen? Of ergeren ze zich aan hun eigenheid en willen zij ze liever wegsturen? Nemen ze de belangen van de kinderen in overweging als er besluiten over beleid moeten worden genomen? En zijn ze bereid van kinderstemmen te leren als hun stemmen te horen zijn in de gemeente.
En hoe zit het met de geloofsopvoeding? Is dat iets wat we met elkaar doen, zoals in het Oude Testament of is het vooral iets van thuis? Kunnen we er met elkaar over praten, elkaar ondersteunen en van elkaar leren?

Heel veel vragen die we over onze eigen gemeente kunnen stellen. Als een soort spiegel waarin we kunnen kijken of het goed gaat. Misschien kunnen een heleboel vragen wel met ja beantwoord worden. Misschien een aantal met nee. In ieder geval willen we leren van de Bijbel en ook de gemeente een plaats maken waar kinderen hun eigen plek innemen. Want we willen dat onze kinderen God leren kennen en Hem gaan dienen, zodat ze beelddrager van God mogen worden en in Jezus‟ genade kunnen opgroeien en volwassen worden.

Bronnen:

  •  Kinderwerk Meesterwerk, Ria de Baat en Anne Nijburg, IBB 2007, p. 38-39
  • Kinderen in de Bijbel – op wie lijk jij?, Marianne Buitenhuis, Charisma, 1 mei 2002
  • pagina 11 van 11 | datum 23 februari 2011 document de bijbel over kinderen in de gemeente
  • Kinderwerk Meesterwerk, Ria de Baat en Anne Nijburg, IBB 2007, p.27-28 en 30-33
  • Aanvulling Kerkboek 2009, Deputaten Generaal-sypnode Publicaties, Formulier voor de bediening van de heilige doop aan de kinderen van de gelovigen 2, p. 8-14
The following two tabs change content below.

Anko Oussoren

Adviseur op Praktijkcentrum
Is sociaal, geïnteresseerd in mensen en heeft zich vooral de laatste jaren ingezet voor jongeren binnen en buiten de kerk. Zijn passie ligt bij het jeugdwerk en het missionair gemeente-zijn. Hij heeft het verlangen om gemeenten toe te rusten vanuit de liefde van God. Mail naar Anko