‘Ik ben opgegroeid in Dordrecht, kom uit een zwaar christelijk milieu – van oorsprong de gereformeerde bond. Een paar weken geleden sprak ik voor een groep jongeren in Groningen. We zongen een lied: Wij heffen onze handen naar omhoog. Maar zij doen hun handen niet omhoog! Dat is illustratief voor hoe ik het geloof vroeger niet begreep. Een juf sloeg een kind in de klas, maar vervolgens deden we onze ogen dicht en ¬werden de handjes gevouwen. Als kind snapte ik het niet, maar nog steeds begrijp ik de kerk niet.’
Als kind werd Erik geslagen en seksueel misbruikt. Het maakte hem een pleaser, hij loog om erbij te horen. Relaties mislukten. Hij ‘belazerde de boel’, beroofde mensen en belandde uiteindelijk op straat.
‘Ik had toen nog maar één wens: als die God van mijn jeugd bestaat, laat Hij zich dan maar bewijzen. In Deventer kwam ik in een evangelische kerk. Er was avondmaal en de voorganger bad het zondaarsgebed waarin wordt gezegd: ik heb er een zootje van gemaakt. Toen ben ik door mijn hoeven gegaan, heb alleen maar gejankt.’
De twee jaar erna woont Erik bij de voorganger van de gemeente en zijn vrouw. Hij ervaart de onvoorwaardelijke liefde van God in hoe zij er voor hem zijn, ondanks zijn gedrag. Het is een genezende ervaring, waarbij hij enorm groeit in zijn geloof. Aan het eind van die periode ontmoet hij zijn vrouw. Ze trouwen en sluiten zich aan bij haar kerk, de gereformeerd vrijgemaakte kerk in Barneveld-Voorthuizen.
Terugblikkend zegt Erik: ‘Ik verlangde enorm naar rust. Ik geloof dat God mensen met gezag op mijn weg heeft geplaatst die mij de goede kant op wezen.’
Door zijn vrouw kwam hij in een nieuwe sociale kring. In de ontmoeting met nieuwe mensen kregen ze te maken met vooroordelen. Dat maakte dat zijn vrouw positie moest bepalen. Ze zei: ‘Ik ben niet getrouwd met de man die je was, maar met de man die je bent.’ Erik: ‘Precies zoals de Heer ook denkt! Ik prijs God elke dag voor wat hij me heeft gegeven.’
Erik leerde de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt kennen. ‘De eerste keer dat ik meeging; ik vond het geweldig! Weet je wat ik heel mooi vond? De staande geloofsbelijdenis. De wet. Dat God ons een zwikkie regels heeft gegeven waar wij ons aan moeten houden.’
Het waren niet alleen positieve ervaringen. Er werd bezwaar gemaakt toen hij belijdenis wilde doen; een oplichter hoort niet in de kerk. Alle kerkleden kregen een brief over zijn verleden. De oude vragen die hij als kind bij de kerk had, kwamen bij Erik weer boven. ‘Een mens die fouten heeft gemaakt is toch bij uitstek welkom? Maar nadat ik mijn getuigenis voor in de kerk had gegeven, is er nooit meer iemand geweest die zei: Erik, heb je nog last van je oude zonden? Als je eenmaal binnen bent, ben je blijkbaar veilig, kom je in de hemel.’
‘Voor mij is het zo’n wonder dat ik er weer bovenop gekomen ben, dat daarover vertellen mijn passie is geworden. Maar wij zijn als kerk zo naar binnen gericht, doen zo níet wat Jezus zegt: Ga de wereld in, vertel het blijde nieuws. Ik zie weinig mensen die blij zijn met hun kerk. En ik zie vaak dat men geen persoonlijke relatie met Jezus nastreeft. Dat heeft me zo geraakt. Want als God mij heeft gered, waarom zou hij anderen dan niet redden?’
Erik

Erik

‘Ik ben opgegroeid in Dordrecht, kom uit een zwaar christelijk milieu – van oorsprong de gereformeerde bond. Een paar weken geleden sprak ik voor een groep jongeren in Groningen. We zongen een lied: Wij heffen onze handen naar omhoog. Maar zij doen hun handen niet omhoog! Dat is illustratief voor hoe ik het geloof vroeger niet begreep. Een juf sloeg een kind in de klas, maar vervolgens deden we onze ogen dicht en werden de handjes gevouwen. Als kind snapte ik het niet, maar nog steeds begrijp ik de kerk niet.’Als kind werd Erik geslagen en seksueel misbruikt. Het maakte hem een pleaser, hij loog om erbij te horen. Relaties mislukten. Hij ‘belazerde de boel’, beroofde mensen en belandde uiteindelijk op straat.

‘Ik had toen nog maar één wens: als die God van mijn jeugd bestaat, laat Hij zich dan maar bewijzen. In Deventer kwam ik in een evangelische kerk. Er was avondmaal en de voorganger bad het zondaarsgebed waarin wordt gezegd: ik heb er een zootje van gemaakt. Toen ben ik door mijn hoeven gegaan, heb alleen maar gejankt.’

De twee jaar erna woont Erik bij de voorganger van de gemeente en zijn vrouw. Hij ervaart de onvoorwaardelijke liefde van God in hoe zij er voor hem zijn, ondanks zijn gedrag. Het is een genezende ervaring, waarbij hij enorm groeit in zijn geloof. Aan het eind van die periode ontmoet hij zijn vrouw. Ze trouwen en sluiten zich aan bij haar kerk, de gereformeerd vrijgemaakte kerk in Barneveld-Voorthuizen.

Terugblikkend zegt Erik: ‘Ik verlangde enorm naar rust. Ik geloof dat God mensen met gezag op mijn weg heeft geplaatst die mij de goede kant op wezen.’

Door zijn vrouw kwam hij in een nieuwe sociale kring. In de ontmoeting met nieuwe mensen kregen ze te maken met vooroordelen. Dat maakte dat zijn vrouw positie moest bepalen. Ze zei: ‘Ik ben niet getrouwd met de man die je was, maar met de man die je bent.’ Erik: ‘Precies zoals de Heer ook denkt! Ik prijs God elke dag voor wat hij me heeft gegeven.’

Erik leerde de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt kennen. ‘De eerste keer dat ik meeging; ik vond het geweldig! Weet je wat ik heel mooi vond? De staande geloofsbelijdenis. De wet. Dat God ons een zwikkie regels heeft gegeven waar wij ons aan moeten houden.’

Het waren niet alleen positieve ervaringen. Er werd bezwaar gemaakt toen hij belijdenis wilde doen; een oplichter hoort niet in de kerk. Alle kerkleden kregen een brief over zijn verleden. De oude vragen die hij als kind bij de kerk had, kwamen bij Erik weer boven. ‘Een mens die fouten heeft gemaakt is toch bij uitstek welkom? Maar nadat ik mijn getuigenis voor in de kerk had gegeven, is er nooit meer iemand geweest die zei: Erik, heb je nog last van je oude zonden? Als je eenmaal binnen bent, ben je blijkbaar veilig, kom je in de hemel.’

‘Voor mij is het zo’n wonder dat ik er weer bovenop gekomen ben, dat daarover vertellen mijn passie is geworden. Maar wij zijn als kerk zo naar binnen gericht, doen zo níet wat Jezus zegt: Ga de wereld in, vertel het blijde nieuws. Ik zie weinig mensen die blij zijn met hun kerk. En ik zie vaak dat men geen persoonlijke relatie met Jezus nastreeft. Dat heeft me zo geraakt. Want als God mij heeft gered, waarom zou hij anderen dan niet redden?’