‘Toen een Congolese vrouw bij ons in de Elimkerk voor het eerst een Bijbelgedeelte in haar eigen taal, het Lingala hoorde, slaakte ze enthousiaste vreugdekreten. Misschien dacht een aantal kerkbezoekers “die vrouw is onwel geworden”, maar de meesten begrepen het. Hier werd een hart diep geraakt!’

Bas van Zuijlekom vertelt na afloop van het interview in de auto nog enthousiast verder over zijn werk in Rotterdam. Hij is én predikant van de GKV in Rotterdam-Zuid én missionair werker onder Antillianen voor de MAR (Missionaire Arbeid Rijnmond).  ‘Dat is af en toe nog best lastig schakelen’, geeft hij toe. Hij zou graag zien dat de afstand tussen de “witte enclave” in de Elimkerk en het multiculturele Beverwaard kleiner wordt. ‘De Elimkerk heeft namelijk een aansluitingsprobleem. Het is een grotendeels witte kerk in een stad die voor meer dan vijftig procent zwart is. Dat is niet logisch. Wij gereformeerden zeggen dat we een ”katholieke” kerk zijn, een kerk voor iedereen. Dan moeten we dat ook laten zien. Je kunt het wél willen of niet willen, maar je woont gewoon in Rotterdam, zo simpel is het.’ Gelukkig vindt Bas in de Elimkerk veel instemming voor het missionaire en diaconale werk dat hij doet. ‘We zetten veel stappen om meer met de buitenwereld bezig te zijn dan met onszelf en ik ben blij dat dit breed gedragen wordt door de gemeente. Het werk vindt instemming  en er zijn veel vrijwilligers die meehelpen.’
Een paar van deze vrijwilligers ontmoet ik op een rustige maandagmiddag in de gang van een basisschool. Er wordt gezellig koffie gedronken en getoost op de verjaardag van Franklin. De vier mannen die hier een inloopspreekuur houden zijn Jaap, Paul, Franklin en Bas. Ze vertellen met passie over het werk dat ze hier mogen doen.

‘In deze wijk wonen veel Antillianen die vaak sociaal-maatschappelijke problemen hebben. Wanneer je hier missionair werk gaat doen kun je wel mooi vertellen dat ze Jezus moeten gaan volgen, maar hun eerste vraag is: hoe ga ik om met mijn schulden, de opvoeding van mijn kinderen? Je kunt hier niet het evangelie verkondigen zonder ook hulpverlening te bieden. Daarom kwamen we op het idee om een inloophuis op te richten’, vertelt Bas.

Er bestond al een stichting ‘House of Hope’ en het inloophuis van de Elimkerk heeft zich hierbij aangesloten. De stichting heeft twee belangrijke pijlers: ontmoeting en ondersteuning. Ontmoeting gebeurt door het organiseren van allerlei activiteiten,  zoals buurtmaaltijden. ‘Dan ontdek je opeens dat Surinamers waanzinnig lekker kunnen koken en dat Nederlanders eten maken dat heel snel vult. Dat is natuurlijk handig om te weten en een gezamenlijke maaltijd heeft een enorme samenbindende functie binnen de wijk’, vervolgt Bas.

Ondersteuning wordt gerealiseerd door het inloopspreekuur waar iedereen vrijblijvend om hulp kan vragen. Er zijn huisbezoeken, pastorale gesprekken en er is een maatschappelijk werkster in dienst die meer individuele begeleiding kan bieden. ‘House of Hope gaat uit van een integrale aanpak’, vertelt Jaap. ‘We zeggen niet: wat is je vraag, dan gaan we daarmee aan de slag. We vragen door: hoe gaat het thuis, hoe gaat het met de kinderen? We willen eerst iemand als persoon leren kennen en spreken dan de volgorde af waarin we de problemen aanpakken. Het is vaak niet één ding, het zijn vaak veel dingen.’
Wanneer ik vraag naar de spanning tussen diaconaat en evangelie blijkt die bij House of Hope niet echt aanwezig te zijn. Bas legt uit dat het hen puur om hulpverlening gaat. ‘Wij zeggen niet tegen mensen: we hebben je geholpen, ga je nu ook bekeren. Dat zou absurd zijn. Wat we wel kunnen laten zien is dat christelijke liefde ook betekent dat je mensen wilt helpen met praktische dingen. Praktische problemen kunnen heel belemmerend zijn voor mensen. Wanneer ze hun kinderen niet kunnen onderhouden maakt dat hen heel ongelukkig. Als je dan als christen zalf op die wond kunt doen vind ik dat heel normaal. Dat wij daar niet meteen een missionair doel mee hebben, is volgens mij ook heel legitiem.’ Volgens Jaap werkt het anders ook niet. ‘Als je constant een ‘hidden agenda’ hebt van: ik wil je eigenlijk bekeren en en passant wil ik je ook wel met je financiën helpen, dan zit je er verkeerd in. Wil je die mensen helpen ja of nee? Ik wil die mensen helpen vanuit een bepaalde gedrevenheid. Dan komt vanzelf wel boven tafel waar die gedrevenheid vandaan komt.’

‘De cultuurverschillen tussen de veelal Antilliaanse bezoekers en de Nederlandse vrijwilligers zorgt nog wel eens voor problemen’, vertelt Paul. ‘We hadden een Antilliaanse brassband gevraagd om in de dienst een lied te begeleiden. Toen kwamen ze gewoon veel te laat. Je krijgt ze nou eenmaal niet zo ver om mee te lopen in de pas die niet bij ze past.’ Om met deze cultuurverschillen te kunnen omgaan krijgen de vrijwilligers cursussen en trainingen. ‘Deze trainingen helpen om de empathie af te leggen die ons vanuit de westerse cultuur is meegegeven. Vanuit jezelf wil je erin kruipen, het uit handen nemen en oplossen. Wij leren nu om het probleem bij de mensen zelf te laten.’ Jaap knikt instemmend: ‘je kunt het faciliteren, maar je moet het niet allemaal gaan regelen. Vaak gaan we twee stappen vooruit en weer een stap achteruit. Ik word daar niet gefrustreerd van, dit hoort erbij.’

Wanneer ik vraag naar tips voor andere kerken die soortgelijke projecten willen opzetten, klinkt het uit één mond: ‘Gewoon doen!’ ‘Je moet er vooral heel open ingaan’, vertelt Paul. ‘Verzin vooraf geen grote ideeën en vergader niet eindeloos, dan sla je de energie dood. Er zijn altijd wel wat vergadertijgers die tot in detail het succes willen garanderen voordat ze starten, maar dat kan niet.’ Bas sluit zich hierbij aan. ‘Het is echt belangrijk om de energie te benutten die er bij de gemeenteleden leeft. Wij draaien op een heel aantal vrijwilligers uit de kerk die enthousiast betrokken blijven.’
Daarnaast zou het volgens hem ook goed zijn om in de wijk zelf te wonen. Nu woont alleen Paul nog in de wijk. ‘Wanneer alle vrijwilligers in deze wijk zouden wonen, zou er een veel groter effect van uitgaan. Dan krijg je meer feeling met de doelgroep en tref je de mensen op straat en in de supermarkt.’
Daarnaast vinden ze een goede oriëntatie op de wijk ook belangrijk. ‘Weet wat voor mensen het zijn, met welke problemen ze rondlopen. Niet elke wijk heeft te maken met schuldenproblematiek. In rijkere wijken ligt het probleem waarschijnlijk meer op het vlak van eenzaamheid. Het idee is om in de wijk te staan en te kijken wat je daar kunt doen.’

Om echt een kerk van de wijk te zijn, is een goede aansluiting nodig. Bas vertelt over zijn ideaalbeeld voor de kerk van Beverwaard. ‘Wat ik graag zou willen is een gereformeerde kerk met een jas die past bij de wijk. Een kerk waarvan de mensen in de wijk zeggen: ‘dat is onze kerk’. Ik geloof dat de gereformeerde manier van geloven en belijden heel erg goed is voor een wijk als deze, maar dat onze vormgeving kan afstoten. Die is vaak statisch en traditioneel. Maar als je kijkt naar de kern van het gereformeerd-zijn, dan hebben we een duidelijke boodschap. Veel mensen in de wijk leven op een krampachtige manier met God. Ze denken ‘ik moet helemaal goed zijn als ik met God leef.’ Door dit te denken blijven veel mensen op slot zitten. Terwijl de gereformeerde manier van belijden genade verkondigt. Bij Jezus mag je als zondaar komen. Deze boodschap is heel heilzaam voor de mensen uit de wijk.’

Zo wordt in de multiculturele achterstandswijk de gereformeerde leer verkondigd en houdt de kerkenraad van Rotterdam-Zuid zich bezig met de problemen uit die wijk. Misschien wordt de afstand tussen beide plekken op deze manier stukje bij beetje kleiner.