Praktische theologie. Je zult het als vak geven… Dr. Hans Schaeffer (44), eerder predikant en nu hoofddocent aan de Theologische Universiteit in Kampen, doet het. En zijn vak gaat – zoveel is duidelijk – ook over de kerk, over hoe je kerk kunt, wilt en ten diepste moet zijn. In een special over de toekomst van de kerk en de kerk van de toekomst kan Schaeffer niet gemist worden. OnderWeg praat met hem.

Ik begin met wat mogelijke reacties op het thema: de kerk is van God, waarom zo veel drukte in zo’n dik magazine? Of: als dit opgepakt wordt, krijgen we weer allerlei modellen opgelegd; hou daarmee op! Waarom vind jij het belangrijk dat het thema aandacht krijgt?

‘Ik vind het een waardevol thema. Natuurlijk zijn ook andere thema’s belangrijk. Maar de kerk is wel de bedding waarin mensen, christenen en niet-christenen, in aanraking komen met Christus. De kerk is belangrijk voor de grote missie van God. Wellicht heeft de kerk in de afgelopen decennia, met name binnen de GKv, overaccent gekregen. Daardoor snap ik die reacties wel. Tegelijk blijft nadenken over de kerk van groot belang.

Er is trouwens nog een derde reactie mogelijk. Dat is die van twintigers en dertigers. Voor hen is de kerk, merk ik, veel minder belangrijk. Zij kijken al zo lang over kerkgrenzen heen. Daardoor is een lokale of landelijke kerk voor hen niet echt spannend, net zomin als andere instituties dat in deze tijd zijn.’

Maar voor generaties daaronder ligt dit misschien anders.
‘Ja, voor de groep van 8 tot 18 jaar is de kerk één van de belangrijke middelen om God te leren kennen. Dus alsjeblieft, laten we voor hen – en samen met twintigers en dertigers – ook over de kerk nadenken, al zijn er misschien leukere of boeiender thema’s om mee aan de slag te gaan.’

Leeft het thema, merk jij dat in je werk?
‘Ja. Ik moet er wel bij zeggen: dit heeft vaak een institutionele aanleiding, bijvoorbeeld omdat een gemeente het lastig heeft of omdat er sprake is van krimp. Dat zijn niet de meest inspirerende aanleidingen. Maar inderdaad: het thema leeft, ook breder. Hierin speelt mee dat er tegenwoordig binnen kerken zo veel verschillen zijn tussen generaties. Voor oudere generaties was en is de kerk een belangrijk centrum van het (sociale) leven. Maar veel dertigers en veertigers beleven dat anders en verzetten zich daar soms ook tegen. Nu komt er een nieuwe generatie aan, die hier bij de universiteit binnenkomt en die blanco is. Die zegt: “Geef mij de bedding, de basis van Bijbels spreken over kerk zijn maar, daar sta ik voor open.” Dus laten we met hen meedenken over kerk zijn straks.’

En daar komen dan nog de vragen van de oudste generaties bij: de kerk? ach, wat zich nu presenteert als kerk, is mijn kerk niet meer…
‘Ja. En ik kan me daar iets bij voorstellen. Er verandert veel. Vroeger speelden veranderingen zich binnen drie of vier generaties af, nu binnen één generatie. Maar laten zij, en laten wij allemaal, beseffen dat de kerk niet een optelsom is van dogmatische dingen. Nee, de kerk heeft alles te maken met jouw leven: via vorming, door aanbidding, diaconaat, door het stilstaan bij elementen als delen, geven en ontvangen.’

Wat is voor jou essentieel in het nadenken over de toekomst van de kerk?
‘Dat is dat wij als mensen de gang door dit leven maken en dat met God willen doen. Je bent onderweg, naar zijn toekomst. Maar onderweg gebeurt er zo veel. Dan wéét je: het is Gods wereld en het gaat naar zijn toekomst toe. Maar evenzogoed kan het leven zwaar zijn. Je voelt: hier heb ik sturing bij nodig. Die krijg je aangereikt door en vanuit de gemeenschap van de kerk. Die al eeuwenlang bestaat. Voor alle generaties die er nu zijn, ook binnen de kerk, is dat wat verbindt: dat je God bij alles nodig hebt, dat je elkaar helpt en dingen met elkaar deelt. Een oud, maar mooi woord hiervoor is ‘pelgrim’, je bent als pelgrim onderweg naar een beter vaderland.’

Is dat ‘pelgrim’ een beetje hetzelfde als wat Stefan Paas ‘vreemdeling’ noemt?
‘Ja, hoewel ik dat woord wat statisch vind; in pelgrim zit beweging, je bent onderweg naar Gods toekomst. Dat is mooi, juist in deze tijd, waarin alles om het hier en nu draait: als christen heb je een richting, een kompas, het gaat naar God toe. Pelgrimage heeft altijd dat doelgerichte in zich.’

Nu wordt nadenken over het thema vaak gestimuleerd door krimp, bijvoorbeeld omdat de kerk in het Westen kleiner wordt. Tegelijk hoor je: groei en krimp zijn van alle tijden. En: elders groeit de kerk, dus relax. Zijn die twee zaken belangrijk?
‘Ja, heel belangrijk. Wil je zinvol nadenken over de kerk, dan moet je breed denken. Dan moet je verder kijken dan alleen in je eigen huis of in Nederland. Bij kerk gaat het primair om de grote gemeenschap van God over heel de wereld, door heel de tijd heen. De kerk kan niet zonder die katholiciteit; de kerk is meer dan die ene gemeente die jij kent en die bijvoorbeeld terugloopt in ledental of waar van alles rommelt.’

Pelgrims, vreemdelingen. Ik denk dat beide begrippen nog weinig zeggen over de contouren van een toekomstgerichte kerk. Daarom vult Paas zijn vreemdelingschap in met drie begrippen: kleine gemeenschappen; een sterke eigen identiteit in bijvoorbeeld de liturgie; gebed. Wat vind jij van deze drieslag?
‘Ik herken me hier heel sterk in. Tegelijk vul ik die aan met vooral deze opmerking: elke lokale gemeenschap zal hierin zijn eigen weg moeten vinden. Niet elke grote lokale kerk kan zich bijvoorbeeld zomaar omvormen tot kleine gemeenschap. Dus denk over de contouren van kerk zijn als lokale gemeente heel goed na. Mét Paas zeg ik: essentieel is het samenkomen op de dag van de Heer, om je eigen identiteit te beleven. Zo deden christenen dit vroeger ook: een slaaf ging vóór zijn werk, vroeg in de morgen, naar de rivier om daar met een groepje mensen samen te zijn. En voor dit samenkomen als gemeente is de vormgeving, de liturgie, van groot belang. Dan bedoel ik liturgie als bedding, als basis waarin alles kan, waarin alle tonen te horen zijn: blijde, droevige en ook stille tonen. Want juist vandaag is verstilling nodig, om te “ver-innen” zodat het binnenkomt.’

Proef ik hierin een pleidooi voor ‘verstilling’ als belangrijk element in een kerkvorm nu en straks?
‘Voor een deel zie je dit al gebeuren. De grote “show” – vergeef me het woord – van steeds een volle ochtenddienst waarin van alles en nog wat gebeurt, is bijna niet vol te houden. Niet elke week. Misschien lukt het in een evangelische setting. Als je goed kijkt, zie je dat liturgie dáár vooral de expressie van geloof is, daardoor ontstaat een kerk. Dat zit in hun theologische opvattingen over geloof en kerk. In de gereformeerde liturgie is de kerk er al; in de kerk vormt zich het geloof.’

Maar waarom zou zoiets niet vol te houden zijn? Ik denk dat veel mensen er blij mee zijn.
‘Het kan zijn dat zoiets lang in stand blijft. Neem de Bethelgemeente in Drachten, de VEZ in Zwolle, of andere lokale kerken. Maar voor een minder grote gemeente kan zoiets op langere termijn te veel gevraagd zijn. Mensen, middelen, gaven – ze zijn lang niet altijd aanwezig. Dan kan zoiets druk opleveren. En gemeenteleden gedragen zich sneller als consumenten: “Waarom organiseren jullie niets voor onze kinderen?” “Waarom zijn de diensten zo saai hier?” Juist bij zulke vragen is de gemeente erbij gebaat om niet met actieplannen allerlei dingen te gaan organiseren, maar om samen, in alle rust, opnieuw met elkaar stil te staan bij de vraag: wat is de kern van onze gemeente? Om Wie draait het? Hoe kunnen we vanuit deze bron onze gaven inzetten?’

En dan is, qua vormen, van alles mogelijk, juist omdat onderweg zijn betekent dat je in beweging bent, dat dingen steeds (kunnen) veranderen?
‘Zeker weten. Dingen veranderen constant. Juist daarom is het zo moeilijk om voor alle leeftijden en smaken steeds een kerkdienst “op smaak” te brengen. We hebben geen diensten nodig die altijd alles bieden waaraan ik behoefte heb. Dat is niet vol te houden. We hebben diensten nodig waarin ik merk dat we samen zoeken naar de kern en bron van ons geloof. We hebben geen diensten nodig waar alles voor iedereen in jip-en-janneketaal wordt uitgelegd. We hebben diensten nodig waar de enorme diversiteit aan wensen, behoeften en verlangens gericht wordt op God – om het mysterie en de grootsheid van de Drie-ene te ontvangen.

Met verstilling bedoelde ik dus niet alleen “stilte”. Dat kan erbij horen. Maar het gaat mij vooral om een houding van ontvankelijkheid, van zoeken, van niet precies weten wat de antwoorden zijn. Of nog beter: een houding waarin ik leer om de grootsheid van God te ervaren, die al onze menselijke verschillen te boven gaat. Dat kan met goede muziek en veel expressie. Maar kleine, krimpende kerken – en die zijn er nogal wat – kunnen evengoed levende gemeenten zijn. Als ze maar op zoek zijn naar de bron van leven.’

Nu viel eerder het woord ‘liturgie’. Is het niet hoog tijd om daar een ander woord voor te bedenken?
‘Eens. Alleen heb ik er eigenlijk geen ander woord voor. Misschien is het beste alternatief worship. Daarin gaat het om aanbidding en ook om het Woord, de preek. En ten diepste gaat worship om vorming: hoe word ik gevormd tot pelgrim, tot vreemdeling?’

In deze special worden vier modellen van de kerk van de toekomst besproken, modellen die er ook nu al zijn of ontwikkeld worden: aanbiddingskerk, discipelschapskerk, sacramentele kerk, Woordkerk. Welke wordt het?
‘Alle vier zijn ze belangrijk. Misschien wordt het straks wel een hybride vorm, waarin elementen van al die modellen een plek hebben. Maar hoe dan ook: essentieel is het samenkomen op zondag, om je te laten vormen, om te genieten van rust; in de kerk, op zondag, hoef je een keer niks.’

Recent zei Henk Hagoort, eerder baas van de publieke omroep: ‘Met de zondagse samenkomsten, waar in Nederland een miljoen mensen bij zijn, hebben de kerken goud in handen.’
‘Klopt. En laten we dat goed gebruiken. Een theoloog schreef: “Mensen zijn geen denkende wezens; primair zijn mensen verlangende wezens.” Toegepast op worship: hoe leren we onszelf om ons te laten vormen door aanraking met God zelf? Terugkomend op de vier modellen: er is niet één model voor worship dat universeel toepasbaar is. Het is niet zo dat een GKv- of NGK-gemeente met een vorm van worship, of Hillsong, of de Bethelgemeente in Drachten je van het is. Daarom zegt de Amerikaanse voorganger Tim Keller steeds dat zijn New Yorkse model niet zomaar elders kopieerbaar is.’

Maar er zal toch een vorm van worship zijn waar jij van zegt: daar zit toekomstmuziek in?
‘Als je naar een voorbeeld vraagt, zeg ik: de Jacobikerk in Utrecht of de Pelgrimvaderskerk in Rotterdam, beide van origine Gereformeerde Bond. Ik proef daar dat dit gemeenten zijn met een kiel, zoals die van een schip. Die staat niet op de voorgrond, terwijl toch de balans en de kracht van een schip erdoor bepaald worden. Een goede kiel betekent dat het schip niet snel omslaat als de golven hoger worden. Zo’n kiel bepaalt ook de diepgang die een schip kan hebben. Vertaald naar een gemeente betekent dit dat de leiding uitstraalt: we staan in een traditie van honderden jaren. We hebben materiaal aan boord dat ons op koers houdt, dat diepgang geeft, waardoor we niet snel uit balans raken en met alle winden mee varen. We houden van de leer van de kerk. We vinden catechese belangrijk. We hebben aandacht voor de eigen aard van het Oude Testament en de psalmen die we graag zingen, in welke berijming of vorm ook. En we laten graag onze verworteling zien in het Nieuwe en in het Oude Testament.’

Stel dat kerken het thema oppakken. Loop je niet het risico dat hier weer een project van gemaakt wordt: dan en dan moet dit en dat gerealiseerd zijn…
‘Dat risico is er zeker. Ik hoop dat we die aanpak links laten liggen. De kerk is niet maakbaar; als je doet alsof dit wel zo is, loop je vast. Bovendien: hoe zou zo’n projectaanpak kunnen werken in een gemeente met zo veel verschillende generaties, mensen, smaken en verschillen? Er is een derde motief om hier echt anders mee om te gaan: mensen kunnen van zo’n werkwijze ontzettend moe worden. En dat is begrijpelijk: alsof het succes van de kerk afhankelijk is van mensen! Laten we echt onthouden dat het in de kerk gaat om een boodschap die van buiten, van boven komt.’

In een voorbereidend gesprek gebruikte je de term ‘duurzaam kerk zijn’. Wat is dat?
‘De term komt natuurlijk van duurzaam ondernemen. Daarin staat centraal dat je zorgvuldig omgaat met grondstoffen, én met mensen: die misbruik je niet. Vertaald naar de kerk: een duurzame kerk is een kerk die de grond – de harten van mensen – goed wil bemesten. Die mensen op de goede momenten inzet en niet op momenten waarop het nu eenmaal zo hoort: waarom zou je ouders van jonge gezinnen juist in die levensfase vragen voor taken binnen de gemeente? Een kerk die nieuwe vormen die elders goed werken niet te snel overneemt. Die keuzes maakt en soms ook een werkterrein braak laat liggen. Die zorgt voor continuïteit, zodat er mensen beschikbaar blijven voor leiding en vorming. Die mensen niet opjaagt: God heeft alle tijd, God heeft de eeuwigheid!’

Als jij gevraagd zou worden om over het specialthema te spreken voor een gemeente die het door verschillen van inzicht moeilijk heeft, wat zeg jij op zo’n avond?
‘Ik zou beginnen met luisteren, nadat ik gevraagd heb wat er in de gemeente leeft. Daarna zou ik begrip tonen en vertellen dat ik ken en herken wat zij – heel verschillend – voelen en vinden. Vervolgens vraag ik: “Als jullie dit nu van elkaar horen, kunnen jullie ook elkaar die erkenning geven?” Als dit zo is, kun je een spa dieper gaan. Ik zou de gemeenteleden elkaar laten bevragen op dit punt: waar verlang jij naar? En de antwoorden op laten schrijven. Daarna kunnen de mensen over al die verlangens, en het vervullen daarvan, met elkaar in gesprek gaan. Ik zou afsluiten met: “We gaan hier geen project van maken. We gaan hier in de komende zondagen mee bezig in onze samenkomsten en na afloop praten we erover door.”’

Stel dat OnderWeg over negen jaar – onder het voorbehoud van Jakobus – bij jou terugkomt, hoe ziet een ‘gemiddelde’ GKv- of NGK-gemeente er dan uit en hoe staat het met de beide kerkverbanden?
‘Eerst het laatste: ik denk dat in toenemende mate, dwars door beide verbanden heen, sprake zal zijn van samenwerkingsgemeenten van GKv, NGK, CGK, inclusief gemeenten vanuit de PKN, die elk een eigen kleur hebben.

Dan de plaatselijke gemeente. Een gemiddelde gemeente zal kleiner zijn dan nu. De organisatiegraad zal minder sterk zijn. De gemeente heeft manieren gevonden om de inhoudelijke identiteit goed onder woorden te brengen; hier bedoel ik mee dat een gemeentelid in termen van denken, voelen en handelen aardig goed kan omschrijven waarom hij of zij lid is van juist die ene gemeente. En ten slotte heeft die gemiddelde kerk naar buiten toe een redelijk positief imago: door diaconaal werk of via dwarsverbanden in een wijk is sprake van een eigen plek binnen de lokale burgerlijke gemeente.’

Dit artikel is geschreven door  en gepubliceerd in OnderWeg

The following two tabs change content below.

Hans Schaeffer

Post-doc onderzoeker Praktische Theologie Theologische Universiteit Kampen In het onderzoek richt ik me op de verzameling en analyse van empirische gegevens over de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Daarnaast houd ik me bezig met onderzoek in de deeldiscipline gemeente-opbouw. De analyse van kerkelijke praktijken geeft inzicht in de manier waarop kerkleden het kerk-zijn beleven. Door hierop theologisch te reflecteren kunnen de aandachtsvelden worden benoemd waarop verder moet worden doorgedacht.

Laatste berichten van Hans Schaeffer (toon alles)