‘De geschiedenis heeft laten zien dat je mensen niet bij de kerk houdt met prachtig geformuleerde belijdenisgeschriften.’ Dit zei Evert Jan Ouweneel, volgens het Nederlands Dagblad van 5 juni, op het congres ‘de evangelische beweging in de ondertussenheid. Het laatste is een mooi Nederlands woord voor de erkenning dat de kerk net als de samenleving in een fase van transitie zit. En die overgang houdt dan in dat controlemechanismen worden losgelaten en geloof in Gods beloften en betrouwbaarheid centraal komen te staan. In dezelfde krant schreef Rick Timmermans dat hij uit een vrijgemaakt gezin komt , maar dat hij dat soort labels allang achter zich gelaten heeft. In dit artikel wil ik kort stil staan bij de vraag of je er zo snel moet willen zijn, van de belijdenissen en van dat label.

Waarom belijdenissen
Als je terugkijkt naar het moment waarop belijdenissen zijn ontstaan, valt het zeker voor onze eigen drie formulieren van eenheid op dat die ook uit een periode van overgang komen. Van een massieve christelijke wereld van de Middeleeuwen naar de moderne tijd, toen de zichtbare eenheid onder de paus van Rome verbroken werd en de protestantse kerken ontstonden. En in die tijd was het nodig om je geloof onder woorden te brengen. Je proeft in de formuleringen dat wat er staat de mensen raakte. Ze waren er, om een modewoord van vijftig jaar geleden te gebruiken, existentieel bij betrokken.

Hendrik Algra vertelt bijvoorbeeld in zijn weergave van de Nederlandse geschiedenis dat de beruchte hertog van Alva de Nederlanders een (generaal) pardon aanbood. Maar de reactie was: houd je pardon maar, we hebben al een pardon, van de hemelse koning. In onze tijd gaat het gesprek over de vraag of er niet veel meer te zeggen valt over het werk van Christus dan in de juridische benadering ervan in de belijdenissen, maar indertijd trok men gelijk de conclusie voor je eigen leven die nota bene dat leven in gevaar bracht: Alva bracht de Bloedraad mee die andersdenkenden onverbiddelijk ter dood bracht.

Waar maakten mensen zich druk over, kan nu de wat minzame en misschien wel hooghartige reactie zijn. Maar ooit speelden de vragen een rol in het leven van de mensen. De Heidelbergse Catechismus vraagt niet voor niets telkens: wat heb je eraan?

Oorlog en kerkstrijd
Een soortgelijk verhaal kun je vertellen over het vrijgemaakt-gereformeerde label. Er zijn in de loop van de ruim 70 jaar vrijgemaakte kerken veel dingen gezegd en gedaan die we vandaag niet zomaar meer zouden overnemen. Ook vanuit de kerken zelf is dat onder woorden gebracht1. En de vraag die je keer op keer tegen komt is dan: hadden de mensen midden in de oorlog niet anders te doen dan ruzie te maken over een formulering? En meestal blijft het bij die verbazing over zoveel hardnekkigheid. Maar misschien ging het wel over wat Evert Jan Ouweneel voor vandaag zo belangrijk vindt: dat het geloof in Gods beloften en betrouwbaarheid centraal staat. Als alles op losse schroeven staat in een tijd van oorlog en het recht op de straten struikelt, is dat je enige houvast. Het raakte de mensen existentieel. Je kunt er veel meer van zeggen dan in een korte alinea als deze, maar het gaat mij nu om de nieuwsgierigheid naar wat mensen, broers en zussen in het geloof, indertijd dreef.

Rabiës
Natuurlijk weet ik ook dat theologen en anderen mensen kunnen doorslaan. In de zestiende eeuw sprak men ook van de rabiës van de theologen, een woord dat we nu gebruiken voor hondsdolheid. Er zit een verleiding in om alles op formule te brengen. Een soort controlemechanisme dat overigens prima past bij de achter ons liggende jaren. En dat levert weer verzet op: Matthijs Vlaardingenbroek sprak op datzelfde congres over de tienerjaren van de evangelische beweging, waarbij een zwart-wit denken hoort. Heel herkenbaar voor allerlei discussies op dit moment ook binnen de kerken. Maar ook een stadium waarin je als mens niet moet blijven hangen en zeker ook niet als kerken. Puberen is geweldig, net als pubers dat zijn, juist om de volwassenheid te bereiken.

Nieuwsgierig
Waarschijnlijk heeft Evert Jan Ouweneel veel meer gezegd dan in het korte artikeltje in de krant. Dat moet bijna wel, want zijn nadruk op geloof in Gods beloften en betrouwbaarheid kom je bijna net zo tegen in zo’n belijdenisgeschrift: de catechismus, als het gaat om de vraag wat een echt geloof is. Zie zondag 7 vraag en antwoord 22 en 21. Wat moet je geloven: Alles wat in het evangelie beloofd is. Opvallend daarbij wel is de breedte: ik houd alles voor betrouwbaar wat God ons in Zijn woord geopenbaard heeft. En op dat punt word ik weer nieuwsgierig. Het gaat dus niet alleen om wat mij op dit moment raakt, maar juist omdat een bepaald aspect van het evangelie mij raakt in mijn leven, wil ik weten wat het verder te zeggen heeft, in de volle breedte.

Dit artikel is gepubliceerd in de GEREFORMEERDE KERKBODE van Groningen, Fryslan en Drenthe van 13 juni. Voor abonnementen of informatie: Stuur een mail naar kerkbode@scholma.nl

The following two tabs change content below.

Jan Kuiper

Onderzoeker op Praktijkcentrum
Als eindredacteur verantwoordelijk voor artikelen voor werkers in de kerk. Wil hiermee een brug slaan van de bijbel naar de praktijk. Brengt hiervoor zijn ervaring als predikant in en zijn ervaring in projectmanagement. Heeft graag zicht op het grotere geheel. Schrijft het kerkelijk jaaroverzicht voor Handboek Gereformeerde Kerken. Mail of bel (038) 42 555 18