Wat ontvangen wij van Jezus? Als we het elkaar zouden vragen, dan zou vermoedelijk vaak het antwoord klinken: door Christus ontvangen we het eeuwige leven. Onze zonden worden vergeven, wij staan vrij voor God door Hem.

En als we aan onze buren willen uitleggen  wat geloof betekent, dan zullen we ook snel deze dingen noemen. We zijn
daarmee goede leerlingen van onze traditie, want de Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis spreken ook in deze termen over Christus’ geschenken. Zonder twijfel is het een diepe, bijbelse lijn die daarmee gewezen wordt. De vraag is echter of één belangrijk geschenk niet over het hoofd gezien wordt: de gemeente waarin de levende Christus ons plaatst.

In Marcus 10 is Jezus met zijn leerlingen in gesprek. Het gesprek met de rijke jongeling is net geweest als Petrus de vraag in het midden legt: ‘Meester, wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd!’ Het antwoord van Jezus is verrassend: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zusters, moeder, vader of kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van mij en het evangelie, zal het honderdvoudige ontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en kinderen, huizen en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging, en in de tijd die komt het eeuwige leven.’ Inderdaad noemt Jezus het dus: wie Hem volgen, ontvangen het eeuwige leven. Maar Hij noemt nog iets waar we vaak overheen lezen. Wie Hem volgt en alles achterlaat, ontvangt het honderdvoudige aan broers, zusters, moeders en kinderen. Dat gaat over de gemeente, dat begrijpen we wel. Als Jezus aan zijn leerlingen zegt wat het volgen van Hem aan zegeningen meebrengt, dan noemt Hij ook het feit dat Hij ons in zijn gemeente een plek geeft. De broeders en zusters om ons heen zijn een geschenk van de Levende. In Efeziërs 4 zien we iets vergelijkbaars. Onder de gaven die de opgevaren Christus aan de mensen gegeven heeft, worden verschillende ambten genoemd.

Waarom noemen onze formulieren dat dan zo weinig? En waarom komen wij zelf zo weinig op het idee om aan mensen om ons heen de gemeente te noemen als geschenk van Christus? Waarom praten onze belijdenissen
vooral in termen van kenmerken over de kerk (en dus: in termen van problemen) en danken ze niet eerst voor de
kerk? Dat heeft te maken met de tijd van ontstaan. Allereerst: tussen Rome en Reformatie liep het geding over de
kenmerken van de ware kerk. De reformatoren beschuldigden de roomse kerk ervan afgedwaald te zijn en geen ware
kerk meer te zijn. Bovendien: in de tijd van de Reformatie was de kerk alom aanwezig en stond niet ter discussie. En
wat overal is, kun je gewoon gaan vinden, over het hoofd gaan zien.

Wat is wezenlijk?
Vandaag is de kerk niet alom aanwezig. Integendeel. De kerk heeft het lastig. Zoals veel van de verbanden die we geërfd hebben van onze voorouders. Dat moeten we niet vergeten: politieke partijen, vakbonden, omroepen hebben het ook heel moeilijk om hun achterban vast te houden. Mensen zoeken vandaag andere vormen van betrokkenheid dan vroeger. Dat wil dus zeggen dat we niet heel massief de conclusie kunnen trekken dat de terugloop van kerkelijke betrokkenheid recht evenredig is aan de terugloop van geloof. Het dwingt om te vragen wat wezenlijk is, wat kerk eigenlijk is en hoe we vandaag dan kerk hebben te zijn. Want als Jezus de gemeente noemt bij de geschenken die Hij geeft aan de zijnen, dan zullen we er niet omheen kunnen om de vraag te stellen wat wezenlijk is voor kerk-zijn in een veranderende samenleving, zodat we niet het verwijt kunnen krijgen dat de kerk de mensen verlaten heeft, in plaats van andersom.

Alles achterlaten
Het begint met het ‘alles in de steek laten’ waar Petrus over spreekt. Wat is dat? Moeten we dat letterlijk lezen?
Nee – Jezus komt niet om de gaven van zijn Vader stuk te breken. Als de Here ons het leven geeft, plaatst Hij ons in
een gezin, komen er mensen op ons pad om het leven mee te delen, ontvangen we vrienden, relaties uit zijn hand.
Jezus scheurt dat niet aan stukken. Hij plaatst ons in de verbanden waarin we gesteld zijn, in een nieuwe verhouding. Ga maar na: een van de eerste dingen die we lezen in het evangelie, is dat Jezus met Petrus naar zijn huis gaat om Petrus’ schoonmoeder te genezen – Jezus heeft zijn leerling dus niet losgescheurd uit zijn familie. Verder in het evangelie lezen we herhaaldelijk dat Jezus in een boot stapt. Van wie zou die boot nou zijn? Van de leerlingen toch? Aan het einde van het evangelie lezen we dat Petrus gaat vissen en ook direct een boot ter beschikking heeft – dat zal toch zijn eigen boot wel geweest zijn.
En uit Paulus’ eerste brief aan de Korintiërs (9:5) weten we dat Petrus zijn vrouw meenam op zendingsreizen. Kortom: alles achterlaten is niet hetzelfde als: je losscheuren uit de verbanden waarin je leeft (waarin de Here God je gesteld heeft) en niets meer met die mensen te maken hebben. Het betekent allereerst dat Jezus tussen jou en alle anderen staat. Hij bepaalt al mijn verhoudingen en relaties. Met wie ik ook omga: Jezus is de eerste die ik tegenkom. Tussen mij en mijn kind, tussen mij en mijn partner, tussen mij en mijn ouders, tussen mij en mijn werk, tussen mij en mijn hobby staat Hij. En Hij is er dan ook bij als ik spreek met de mensen bij wie ik hoor. Dat kan alleen maar een diepe invloed hebben op de manier waarop ik met hen omga.
Alles achterlaten en Christus volgen betekent dat er geen directe verhoudingen meer zijn.

Jezus verbindt
Wie zo Jezus leert volgen, ontvangt er honderdvoudig voor terug: broers, zusters, moeders enzovoort. Als je erop gaat letten, moet het wel opvallen: in het evangelie lezen we eigenlijk nergens over mensen die in hun eentje geloven. Steeds zie je dat mensen die Jezus volgen, direct ook aan andere gelovigen verbonden worden. Ja, je ziet dat Jezus mensen die alleen hun weg gaan, een plek in de gemeente geeft. Die vrouw in Johannes 4, die bewust op het heetst van de dag water gaat putten om te ontkomen aan de praatjes en de scheve gezichten, stormt na
haar ontmoeting met Jezus bij de bron terug naar de stad en roept haar stadsgenoten erbij. Ik heb Iemand ontmoet
die alles van mij weet – en mij niet veroordeelt. Ineens staat ze vrij midden tussen al die mensen die ze eerst ontliep. En velen om haar heen komen tot geloof.
Of denk aan die bloedvloeiende vrouw uit Marcus 5. Na haar genezing wil ze stilletjes terugzakken in de menigte om een steegje in te schieten en te verdwijnen. Maar Jezus heeft gevoeld dat er kracht van Hem is uitgegaan en wacht tot ze tevoorschijn treedt en haar verhaal doet. Een verhaal – zo stel ik me voor – van eenzaamheid ten gevolge van haar ziekte. Een verhaal van verdriet en pijn ongetwijfeld over die dokters die haar van alles hadden voorgespiegeld.
Het geschenk van genezing is niet het enige wat ze van Christus ontvangt, ze ontvangt een gemeente erbij. Stel je eens voor hoe Jaïrus sinds die dag naar deze vrouw gekeken zal hebben. Voor altijd is haar genezing verbonden met de opwekking van zijn dochtertje. En vanaf het kruis verbindt Jezus Maria en Johannes voorgoed aan elkaar: Moeder, zie uw kind, zoon, zie uw moeder. Overal waar Jezus komt, verbindt Hij mensen.

Een koor
Het mag ons wel te denken geven. Slaan wij bij het zoeken van Jezus’ aanwezigheid in ons leven soms niet heel gemakkelijk de gemeente als vindplaats over? Als ik de evangeliën op me laat inwerken, stel ik vast dat de mensen daar Jezus niet zo vaak in een één-opéén-ontmoeting troffen, maar meestal te midden van mensen met wie Hij zich omringd had. Zou dat vandaag anders zijn? We moeten Hem niet allereerst zoeken in een bijzonder gevoel,
of in bijzondere gebeurtenissen. Wie zegt dat die echt van Hem komen? En bovendien: wat zéggen die gevoelens
dan precies? We moeten Hem daar zoeken waar er twee of drie in zijn Naam bijeen zijn, want daar is Hij in hun midden. Daar klinken zijn beloften en geboden en wordt zijn woord gehoord.
Onopgeefbaar voor kerk-zijn is dus dat christenen de ontmoeting met elkaar zoeken, want ze zijn aan elkaar verbonden. Met welk doel? Twee dingen lijken me van belang.

Allereerst: Jezus zegt er iets bij als Hij spreekt over de gemeente. Het geschenk van de gemeenschap zal gepaard gaan met vervolging. In deze wereld is navolging van Christus niet eenvoudig en wordt er van veel kanten aan de leerlingen getrokken. Wij worden niet vervolgd, maar dat betekent niet dat de kerk in ons land niet wordt tegengewerkt. De vijandschap tegen het werk van de Here heeft onder ons veelal een vriendelijk gezicht. Het alom heersende relativisme heeft ons in de greep. De hang naar bezit, naar het nieuwste van het nieuwste maakt dat mensen achterop kunnen raken in de gemeente en bijna ongemerkt verdwijnen. Juist dan is het zo belangrijk dat we aan elkaar gegeven zijn: wie sterker mag staan in het geloof, kan iemand die achteropraakt opzoeken, vasthouden. En wie door een moeilijke periode gaat in het geloof, mag achteroverleunen in de gemeenschap en zo als het ware meegetrokken worden, zoals militairen een gewonde collega tussen zich in nemen om hem niet achter te laten op het slagveld. Het beeld van een koor kan hier goede diensten doen: wanneer mijn stem zwakker is door verkoudheid of vermoeidheid, staan de andere leden van het koor door te zingen en trekken ze mij mee.

Proeftuin
Maar bovendien: in die gemeente ontmoet ik allerlei verschillende mensen met hun eigen ervaringen. Als ik alleen even denk aan die groep leerlingen rond Jezus, dan heeft Petrus andere ervaringen opgedaan dan Johannes. Als Petrus in de kring van de gemeente vertelde over zijn ontmoetingen met Jezus, zal Hij het woord ‘trouw’ vermoedelijk veel gebruikt hebben. Het kan toch niet anders of deze leerling die zo vaak afdwaalde vanwege zijn impulsiviteit, moet onder de indruk geweest zijn van de zoekende trouw van Christus. Terwijl ik me van Johannes kan voorstellen dat hij veel gesproken zal hebben over de liefde van God in Christus. Niet voor niets schrijft hij in zijn evangelie (3:16 en 13:1!) en zijn brieven over die liefde. Petrus en Johannes zijn zo twee heiligen die samen de lengte en breedte en hoogte en diepte van de liefde van Christus kennen – die alle kennis te boven gaat. Ook hier kan het beeld van een koor goede diensten doen: wanneer ik een lied zing, kan ik het alleen maar eenstemmig zingen. Je hoort de melodie, je herkent het lied – maar als anderen hun partij erbij voegen, klinkt datzelfde lied veel rijker, al zingt de bas een andere partij dan de tenor. Het klinkt voller, je hoort meer in de muziek.
In onze tijd waarin we zoeken naar de aanwezigheid van Christus in ons leven, mogen we aan de gemeente niet voorbijgaan. Het zal erom gaan dat we opnieuw naar elkaar leren kijken. Opnieuw naar de gemeente leren kijken. Leren beseffen dat ik die gemeente nodig heb, zoals die gemeente mij nodig heeft. Dat die gemeente een proeftuin is, een maquette als het ware – waar je iets aan het licht ziet komen van datgene waar het in Jezus’ koninkrijk om gaat. En waar ik bij de les gehouden word, en anderen bij de les mag houden.

Dit artikel is geschreven door Drs. C.C. den Hertog te Surhuisterveen, predikant van de CGKv en is gepubliceerd in NaderBekeken Jaargang 22 no. 10 oktober 2015