Het is tegenwoordig in om te spreken over de kerk als gemeenschap. Het lijkt een woord waarmee een mooi toekomstideaal voor de kerk geschetst wordt. Kerken merken immers aan alle kanten dat ze in een veranderingsproces zitten. Waar gaat heen, en vooral: waar móet het heen met de kerk in de 21e eeuw? Onderzoek van het Praktijkcentrum toont aan dat ouderen én jongeren beseffen dat de kerk er over vijftien jaar anders uit zal zien dan nu. Maar hoe dan?1

Vertrouwde vormen van kerk-zijn blijken onder jongeren nauwelijks of geen weerklank te vinden. Tegelijkertijd zijn deze jongeren nog wel degelijk positief betrokken op het christelijk geloof. Maar de bekende institutionele kaders van het kerk-zijn lijden aan erosie. Eén van de vaak gehoorde antwoorden op de vraag waar we heen moeten kun je samenvatten onder het trefwoord ‘gemeenschap’. Er wordt dan gezegd: we moeten een gemeenschap van leerlingen zijn; in een tijd van individualisme moeten we op zoek naar gemeenschap; de kerk moet minder instituut en meer gemeenschap zijn.

Deze en soortgelijke uitspraken doen het goed vandaag. Gemeenschap lijkt in deze optiek vloeiend, flexibel, gericht op netwerken, op verbinding en contact. Instituut staat dan voor vast, onwrikbaar, star, veeleisend en dogmatisch. Gemeenschap lijkt een toverwoord. Het is net een begrip uit een sprookje: zoals de namen Assepoester of Doornroosje werelden van verbeelding laten opengaan, zo lijkt gemeenschap een woord dat alle problemen oplost. Iedereen zoekt immers naar gemeenschap. De overheid via de participatiemaatschappij, de buurt via de buurtzorg, de hulpverleners via de mantelzorg, de kerken door missionaire of diaconale gemeenschappen te worden. Wat nu precies bedoeld wordt met gemeenschap blijft daarbij vaak onduidelijk, om van de intensieve uitdagingen die gemeenschap met zich meebrengt nog maar te zwijgen.

Basaal vertrouwen
In dit artikel willen we daarom het woord ‘gemeenschap’ kritisch tegen het licht houden. Is het werkelijk een toverwoord dat de toekomst van de kerken veiligstelt?

We beginnen met een stukje geschiedenis. De Engelse socioloog Delanty geeft in zijn Community Ideas (2003) een uitgebreide beschrijving van het ontstaan van het begrip ‘gemeenschap’. In het oude Griekenland ging het bij gemeenschap om directe banden tussen burgers, waaraan ook politieke en contractuele elementen verbonden waren. Zo tussen 1600 en 1800 versmalde het woord ‘gemeenschap’ community tot de onderlinge band tussen mensen en de manier waarop ze met elkaar omgingen, terwijl het begrip ‘maatschappij’ society meer de betekenis kreeg van het contractuele en politieke samenleven.

Het begrip ‘civil society’ dat tegenwoordig vaak gebruikt wordt, heeft beide elementen in zich. Enerzijds gaat het om burgers die met elkaar vormgeven aan het dagelijks bestaan (‘gemeenschap’). Anderzijds gaat het om burgers die zich in organisaties verenigen (‘maatschappij’ – bijvoorbeeld in vakbonden, woningcorporaties, verenigingen, politieke partijen). Gezamenlijk zijn ze beter in staat om bepaalde doelen te bereiken en om tegenwicht te bieden aan een teveel aan macht van de staat.

Het begrip ‘gemeenschap’ combineert een gerichtheid op de concrete, plaatselijke groep mensen met een gerichtheid op het welzijn van de universele mensengemeenschap. Er zit in het woord ‘gemeenschap’ dus iets normatiefs, het is een ideaal met een persoonlijk en een algemeen geldend element. Om te zorgen dat gemeenschap blijft bestaan is communicatie van groot belang. In ieder geval gaat het bij ‘gemeenschap’ om basaal vertrouwen tussen mensen die elkaar na staan en die intensieve relaties met elkaar onderhouden, relaties die niet allereerst gericht zijn op juridische, economische of politieke bedoelingen.

Paradijsvoorstelling
Nu willen we het huidige gebruik van het woord ‘gemeenschap’ eerlijk maar kritisch bekijken. Dat doen we met behulp van gedachten van de Pools-Engelse socioloog Zygmunt Baumann. In zijn  boek Community laat hij zien dat veel mensen een soort paradijsvoorstelling hebben van gemeenschap: die is puur, ongerept, eenvoudig, en gericht op onderlinge hulp in het bestaan.

Daar zitten volgens Baumann twee kanten aan. Allereerst is er de relatie tussen individuele personen en hun relatie tot de gemeenschap. In zo’n paradijselijke situatie kunnen we helemaal onszelf zijn en tegelijk helemaal onderdeel van de gemeenschap. In werkelijkheid komt zo’n paradijselijke situatie van gemeenschap niet voor. De ‘gemeenschap’ geeft ons misschien wel een veilig en zeker gevoel maar daarvoor moeten we wel een stuk van onze persoonlijke vrijheid opofferen. Dat geldt ook omgekeerd: wie meer persoonlijke vrijheid wil, hoort minder bij de gemeenschap.

De andere kant van ‘gemeenschap’ gaat over bewustwording. Zolang we paradijselijk in overzichtelijke, helder te onderscheiden en zelfverzorgende gemeenschappen blijven, zonder daarover na te denken, is er niet veel aan de hand. Er ontstaat een probleem wanneer we wel gaan nadenken over wat ‘gemeenschap’ is, of wanneer we gedwongen worden daarover na te denken omdat anderen, van buiten de bekende gemeenschap, bij ons aankloppen. Dan moeten we gaan nadenken over wie ‘wij’ en wie ‘zij’ zijn, over ‘interne communicatie’ en over ‘het gesprek aangaan met de buitenwereld’. We moeten gaan nadenken over de verhouding tussen ‘zorg voor de leden van de gemeenschap’ en ‘zorg voor hen die geen lid van de gemeenschap zijn’. Maar dan ontstaan er ook vragen over wie de ‘wij’ dan wel zijn: zo´n bewustwording stelt ook de paradijselijkheid die we eerder ‘gewoon’ vonden ter discussie.

Normatief ideaal
Veel van wat Delanty en Baumann aan de orde stellen, is voor plaatselijke kerkelijke gemeenten herkenbaar. De gemeente is immers intern gericht, maar tegelijkertijd ook naar buiten toe, zegt het evangelie. Dit is een normatief ideaal waarover we onderling en naar buiten toe in gesprek moeten gaan (Delanty). Maar dat normatieve ideaal roept spanningen op als het gaat om het nadenken over de vraag wie er wel of niet bij hoort, waarom we de dingen doen zoals we ze doen, voor wie we zorg dragen als de naaste die ons gegeven is, over hoe vrij we als individuele leden van de gemeente zijn tegenover de binding aan de vertrouwdheid en veiligheid van de kerkelijke gemeenschap (Baumann). Het normatieve ideaal – de dubbele gerichtheid op binnen en buiten, op het concrete en het algemene – dwingt tot nadenken. Daarmee komt ook de dagelijkse werkelijkheid – met de spanningen en diversiteit binnen de christelijke gemeente en in verhouding tot anders-christelijke of niet-christelijke medemensen – met alle weerbarstigheid, angst en bedreiging op ons af.

Kerken zouden ervoor kunnen kiezen om hierover níet na te denken. Maar als dat gebeurt, is dat in strijd met het normatieve ideaal waarin de kerk een boodschap voor de binnen- en de buitenwereld heeft. Kerken zouden er ook voor kunnen kiezen om niet aan het normatieve ideaal te voldoen, door zich niet op buiten te richten of niet op binnen, of door de onderscheiding tussen binnen en buiten helemaal los te laten. In beide situaties komt de vraag wat een kerk tot kerk maakt niet meer aan de orde.

Bijbelse lijnen
In de Bijbel zijn verschillende lijnen aan de orde. Aan de ene kant lezen we dat God zijn volk verlost (gemeenschap), aan de andere kant verlost God individuen. Het een én het ander wordt verkondigd. Een individu bestaat niet zonder gemeenschap en een gemeenschap niet zonder individuen. Vrijheid en veiligheid bestaan naast elkaar bij Jezus Christus. De christelijke gemeente heeft een taak naar de leden en een taak naar de mensen om haar heen. De verkondiging van Jezus als de Verlosser geldt als bemoediging voor de leden en als uitnodiging naar anderen. De kerk is nu al een gemeenschap van heiligen en tegelijk nu nog een gemeenschap van zondige en kwetsbare mensen. De bemoediging en de uitnodiging zijn er voor heiligen en zondaren, voor leden en buitenstaanders, voor personen en de gemeenschap als geheel.

In de Bijbel gaat het daarbij om verlossing van concrete zaken: zonden als verslavingen, machtsmisbruik, onderdrukking, hoogmoed, geld, ego- en etnocentrisme, maar ook om losmaking van gebondenheid aan onmacht en onwil. Die losmaking betekent dat je je door Jezus de Heer nieuw laat maken, opnieuw laat maken, als individu en als nieuwe gemeenschap van mensen. Verlossing en vernieuwing spelen op individueel niveau en op het niveau van de relaties en structuren binnen de gemeenschap en tussen gemeenschappen. Omdat we ook een nieuwe naam krijgen die niemand anders kent, zijn we niet meer kwetsbaar in onze diepste identiteit, kunnen we vrij zijn (Op. 2:17). Omdat we als lid van een gemeenschap van Filistijnen, Tyriërs en Ethiopiërs deel gaan uitmaken van het volk van God hoeven we niet meer bang te zijn voor die Tyriër, die Filistijn, is er veiligheid (Ps. 87). Omdat het God zelf is die mensen en gemeenschappen daarin plaatst, hoeven we niet meer bang te zijn om onze handen uit te strekken naar de buitenwereld, want dat zijn de mensen en gemeenschappen waar God zelf ook naar op zoek is. Daarom  kan de gemeenschap open zijn, een vrije gemeenschap zijn (Op. 21:24-26). ‘Iedereen die dorst heeft, mag komen. Iedereen die wil, mag zomaar komen drinken van het water dat leven geeft’ (Op. 22:17, Bijbel in Gewone Taal).

God roept
Deze bijbelse lijnen zijn de basis voor de kerk om gemeenschap te zijn: een gemeenschap van verloste zondaren die dagelijks te maken hebben met de gevolgen van de zondeval. Vanuit de gemeenschap van Gods volk wordt een zoektocht zichtbaar naar allen die buiten staan. Grenzen tussen de kerk en de wereld zijn er wel degelijk, maar het is juist dankzij Gods boodschap van redding en verlossing dat deze grenzen kunnen worden opgeheven. ‘Gods genade is openbaar geworden tot redding van alle mensen,’ schrijft Paulus. Om direct te vervolgen: ‘Ze leert ons dat we goddeloze en wereldse begeerten moeten afwijzen.’ Jezus Christus ‘heeft Zichzelf voor ons gegeven … om ons tot  zijn volk te maken, dat vol ijver is om het goede te doen’ (Titus 2:11-14).

Voor het concrete gemeenteleven is het hierbij van het grootste belang te beseffen dat mensen concreet door God geroepen worden tot deze gemeenschap. Zij ontstaat niet zomaar van onderaf wanneer mensen bedenken: hier heb ik behoefte aan. Luther stelde kernachtig dat de kerk een schepping van het Woord is, en de reformatie sprak hem daarin na.

Daar waar God soeverein zijn volk bijeenroept, kan deze gemeenschap ontstaan. Dat is dan een gemeenschap waarin ‘wij allen in onze eigen taal [horen] spreken over Gods grote daden’ (Hand. 2:11), zowel de Tyriër als de Filistijn, de Jood en de Nederlander. Waar God spreekt, ontstaat een gemeenschap die concreet wordt in het dienen van de naaste (diaconie) en het vereren van God (liturgie). Zo is de gemeenschap van Gods volk een getuigenis in de wereld. Christelijk spreken over gemeenschap is bij uitstek in staat om de relatie tussen gemeenschap en individu onder woorden te brengen. Wij voeren geen propaganda voor een paradijselijk ideaal. Wij vertrouwen ons toe aan Gods belofte dat Hij ons verlost uit een gebroken schepping die pas op de nieuwe aarde volledig werkelijkheid zal zijn.

Weerbarstigheid
In het hier en nu is er alle reden om gemeenschap niet als toverwoord te gebruiken dat op een magische manier de weerbarstigheid van ons bestaan moet overwinnen. Gemeenschap van gelovige christenen rekent altijd met deze zondige gebrokenheid, en vertrouwt op Gods ingrijpen en verlossing hiervan. Daarom bidt de kerk, doopt zij en viert zij avondmaal. En van daaruit kan zij, gebrekkig en onvolledig, de dienst aan de naaste vormgeven.

Gemeenschap is geen toverwoord. Gemeenschap is alleen een belofte van God die Hij waarmaakt voor mensen die vertrouwen op Hem en leven in een gebroken werkelijkheid.

Dit artikel is gepubliceerd in De reformatie nummer 6 /// jaargang 90 /// 12 december 2014 en is een praktisch-theologische bewerking van een artikel dat eerder verscheen in Christelijk Weekblad, 2014/44, 31 oktober 2014.

De Reformatie en Opbouw fuseren in 2015 tot een gloednieuw kerkelijk magazine: OnderWeg. Het nieuwe blad zal vanaf 10 januari 2015 tweewekelijks verschijnen. Benieuwd? Probeer OnderWeg geheel kosteloos drie maanden uit. Klik hier voor een proefabonnement 

 

The following two tabs change content below.

Hans Schaeffer

Post-doc onderzoeker Praktische Theologie Theologische Universiteit Kampen In het onderzoek richt ik me op de verzameling en analyse van empirische gegevens over de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Daarnaast houd ik me bezig met onderzoek in de deeldiscipline gemeente-opbouw. De analyse van kerkelijke praktijken geeft inzicht in de manier waarop kerkleden het kerk-zijn beleven. Door hierop theologisch te reflecteren kunnen de aandachtsvelden worden benoemd waarop verder moet worden doorgedacht.

Laatste berichten van Hans Schaeffer (toon alles)