Gemeenschap lijkt wel een toverwoord. Een sprookjesbegrip dat, net als Assepoester of Doornroosje, werelden van verbeelding opent. Maar hoe verhoudt gemeenschap zich tot onze zo kostbare persoonlijke vrijheid, en wat betekent dat voor christenen? Henk Geertsema legt verbanden.

Iedereen zoekt naar gemeenschap. De overheid via de participatiemaatschappij, de buurt door hulpverleners en mantelzorgers, kerken door missionaire of diaconale gemeenschappen te worden. Wat bedoeld wordt met gemeenschap blijft overigens een beetje onduidelijk, om over de uitdagingen helemaal maar te zwijgen.
De Britse socioloog Gerard Delanty geeft in zijn boek Community een beschrijving van het ontstaan van het begrip. In de vroege Griekse betekenis ging het om directe banden tussen burgers, met een politiek en een contractueel element. In de Vroege Moderniteit behield het begrip ‘gemeenschap’ zijn directe, onderlinge verbanden en wijzen van communicatie, terwijl het begrip ‘maatschappij’ (society) meer de betekenis kreeg van het contractuele en politieke samenleven. Toch bleef ook het ideaal van ‘gemeenschap’ aanwezig, in de zin van gericht op het algemeen welzijn van de universele mensengemeenschap. ‘Gemeenschap’ werd een normatief ideaal met een persoonlijk en een algemeen-geldend element. Met communicatie als belangrijkste voertuig voor het voortbestaan.
Het gaat om basaal vertrouwen, nabijheid van mensen en intensiteit van relaties, zonder primair juridische, economische of politieke bedoelingen.

Paradijs
Ook Zygmunt Bauman schreef een boek met als titel Community. We stellen ons de gemeenschap voor als een paradijs: puur, eenvoudig en gericht op wederzijdse hulp in het bestaan, met twee aspecten. Als eerste kunnen we in het paradijs tegelijk onszelf zijn (vrij) en volledig lid van de gemeenschap (veilig). In werkelijkheid blijkt echter dat een gemeenschap zekerheid en veiligheid biedt, maar eveneens gedeeltelijk inleveren van persoonlijke vrijheid. En omgekeerd. Het tweede betreft ons bewustzijn van de situatie, de reflectie. Zolang we in overzichtelijke, helder te onderscheiden en zelfverzorgende gemeenschappen blijven, is er niet veel aan de hand. Maar wanneer anderen, van buiten de gemeenschap, zich voor onze deuren melden, moeten we gaan reflecteren op ‘wij’ en ‘zij’.
Dan gaan we nadenken over ‘ het gesprek aangaan met de buitenwereld’, ‘zorg voor de leden van de gemeenschap’ in verhouding tot ‘zorg voor hen die geen lid van de gemeenschap zijn’. Dan ontstaan er ook vragen over wie de ‘wij’ dan wel zijn: reflectie stelt de paradijselijke situatie die we eerder ‘gewoon’ vonden ter discussie!

Ideaal
De kwesties zijn herkenbaar. De kerkgemeenschap heeft een interne gerichtheid, maar tegelijkertijd een functie in de buitenwereld. Er is een normatief ideaal (het evangelie) dat gecommuniceerd dient te worden (Delanty). Maar, volgens Bauman, dat ideaal kent spanningen als het gaat om de reflectie op de vraag wie er wel of niet bij hoort. En waarom doen we de dingen zoals we ze doen (laten we de morgendienst een uurtje later beginnen als dat voor geïnteresseerden meer past bij een rustige zondagochtend?), voor wie dragen we zorg als de naaste die ons gegeven is (ook voor mensen die helemaal geen lid van de gemeente willen worden?), hoe vrij zijn we als individuele leden van de gemeente tegenover de binding aan de vertrouwdheid en veiligheid van het geheel van de gemeente. Het normatieve ideaal (de dubbele gerichtheid op binnen en buiten, op het particuliere en het universele) roept reflectie op. Maar daarmee komt ook de dagelijkse werkelijkheid (met de spanningen en diversiteit binnen de christelijke gemeente en naar anders-christelijke of niet-christelijke medemensen) met alle weerbarstigheid, angst en bedreiging op ons af. Kerken zouden er voor kunnen kiezen niet te reflecteren. Maar dat roept direct spanning op met het normatieve ideaal waarin de kerk een boodschap voor de binnen- en de buitenwereld heeft. Kerken kunnen ook kiezen om niet aan het normatieve ideaal te voldoen. Door zich niet op buiten te richten of niet op binnen, of door de onderscheiding tussen binnen en buiten helemaal los te laten. In die situaties komt de
vraag wat een kerk tot kerk maakt niet meer aan de orde.

Taak
In de Bijbel zijn meerdere lijnen aan de orde. God verlost Zijn volk en God verlost individuele personen. Het een èn het ander wordt verkondigd. Een individu bestaat niet zonder gemeenschap en een gemeenschap niet zonder individuen. Vrijheid en veiligheid
bestaan tegelijkertijd bij Jezus Christus. De christelijke gemeente heeft een taak ten aanzien van de leden en van de mensen om haar heen.
De verkondiging van Jezus als de Verlosser geldt als bemoediging voor de leden en als uitnodiging aan anderen. De kerk is (nu al) een gemeenschap van heiligen en tegelijk (nu nog) een gemeenschap van zondige en kwetsbare mensen. De bemoediging en de uitnodiging zijn er voor heiligen en zondaren, voor leden en buitenstaanders, voor personen en de gemeenschap als geheel.
In de Bijbel gaat het daarbij om verlossing van concrete zaken: zonden als verslavingen, machtsmisbruik, onderdrukking, hoogmoed, geld, ego- en etnocentrisme. Om losmaking van gebondenheid aan onmacht en onwil. Die losmaking betekent je door Jezus de Heer ‘nieuw’ laten maken, ‘opnieuw’ laten maken. Als individueel mens en als nieuwe gemeenschap van mensen.

Verlossing en vernieuwing
spelen op individueel niveau en in de relaties en structuren binnen de gemeenschap en tussen de gemeenschappen. Omdat we een nieuwe naam krijgen die niemand anders kent, zijn we niet meer kwetsbaar in onze diepste identiteit, kunnen we vrij zijn (Op. 2:17). Omdat we als lid van een gemeenschap van Filistijnen, Tyriërs en Ethiopiërs (Ps. 87) deel gaan uitmaken van het volk van God hoeven we niet meer bang te zijn voor die Tyriër, die Filistijn, is er veiligheid.
Omdat het God Zelf is die mensen en gemeenschappen daarin plaatst, hoeven we niet meer bang te zijn onze handen uit te strekken naar de buitenwereld, want dat zijn de mensen en gemeenschappen waar God Zelf naar op zoek is. De gemeenschap kan open zijn, een vrije gemeenschap. ‘Iedereen die dorst heeft, mag komen. Iedereen die wil, mag zomaar komen drinken van het water dat leven geeft.’ (Op. 22:17, Bijbel in Gewone Taal).

Dit artikel is geschreven door Henk Geertsema en gepubliceerd in het Christelijk Weekblad van 31 oktober 2014

The following two tabs change content below.
Is verantwoordelijk voor de afstemming van de vragen uit de kerken, uit de theologische opleidingen en van de adviseurs en onderzoekers. Dienst aan de kerken in praktische zin in combinatie met dienst aan de (wetenschappelijke en praktische) doordenking van ons leven als volgeling van Jezus Christus. Met elkaar onderweg naar het nieuwe Koninkrijk van God, geleid door de Geest onder een open hemel. mail Henk