Alles om ons heen beweegt. De politiek, de sociale zekerheid, de godsdiensten op het publieke erf, de opvattingen over hoe we ons leven vormgeven… Al die veranderingen hebben invloed op de kerk en de mensen in de kerk. De kerk beweegt. Maar waar naartoe?

De veranderingen binnen de kerken zijn fors en divers. Het lukt veel kerken niet meer om voldoende ambtsdragers te vinden. Er is vaak onenigheid over liturgie, kerkgang, samenwonen, geregistreerd partnerschap, homoseksuele relaties en meer. En speelt de kerk nog wel een rol in Nederland of is geloven iets geworden van een kleine, achterlopende groep?
In dit artikel probeer ik de veranderingen scherper in beeld te krijgen en te ontdekken welke (nieuwe) vraagstukken ze met zich meebrengen.

Lucht
Het Sociaal en Cultureel Planbureau vatte de maatschappelijke verschuivingen al in 2004 samen in vijf grote, onderliggende bewegingen, de zogenoemde vijf I’s.

  1. Individualisering: de sterke nadruk op individualiteit, op eigen keuzes.
  2. Informatisering: iedereen kan over alles zelfstandig informatie zoeken.
  3. Informalisering: traditionele gezagsstructuren en klasseonderscheidingen vallen steeds meer weg.
  4. Internationalisering: grenzen vallen weg, we zien hoe mensen elders leven en hoe christenen in bijvoorbeeld Afrika de eredienst vormgeven.
  5. Intensivering: de behoefte aan intense, diepe, emotionele ervaringen is sterk toegenomen.

Deze vijf I’s vormen de grond onder alle maatschappelijke verschuivingen. Met elkaar vormen ze als het ware de lucht die we de afgelopen decennia hebben ingeademd. Ik kan me mijn werk bijvoorbeeld niet meer voorstellen zonder internet. En ook ik hecht eraan mijn leven zelf in te vullen, los van wat anderen denken. In de kerk noemen we elkaar tegenwoordig bij de voornaam, ook de dominee en de ouderlingen. Opleiding en ambt spelen geen rol meer, hoogstens leeftijdsverschil. En ook de behoefte aan intense ervaringen zie je overal terug: een kerkdienst moet ons raken, alleen een correcte leer is niet meer voldoende.

Boeddhabeeldje
Er speelt meer. In ons moderne Nederland is de kerk steeds meer iets vreemds geworden. Nederland is allang geen christelijk land meer en ook de resterende christelijke waarden verdwijnen steeds meer.
Het onderzoeksrapport God in Nederland (2016) beschrijft hoe godsdienst steeds minder wordt gezien als bindmiddel en steeds meer als bron van splitsing en geweld. Volgens het merendeel van de Nederlanders hoort religie geen bepalende rol te spelen in politiek of onderwijs. De publieke moraal moet niet vanuit godsdiensten komen, maar uitgaan van de vrijheid om je leven in te richten zoals jij het zelf wilt, waarbij je diezelfde vrijheid van de ander niet belemmert. Wie God vaarwel heeft gezegd of nooit van Hem heeft gehoord, is ook niet geïnteresseerd om iets over Hem te weten te komen. Het leven is hier en nu, daarna is er stof en niets.
Het kerkbezoek is logischerwijs aanzienlijk gereduceerd. In 1971 ging volgens het CBS 37 procent van de bevolking minstens één keer per maand naar een religieuze dienst, in 2014 was dit 16,4 procent. Slechts 10 procent gaat wekelijks naar de kerk. Voorgaande cijfers betekenen dat ruim drie kwart van de bevolking (76,6 procent) zelden of nooit naar een religieuze dienst gaat.
Het rapport God in Nederland signaleert daarbij dat de eerder verwachte spirituele revolutie zich niet heeft doorgezet. In eerdere rapportages leek het erop dat het kerkbezoek wel verminderde, maar dat de spiritualiteit sterker zou worden, eventueel in nieuwe vormen. De godsdienstsocioloog Turner sprak in dit verband van low-intensity religion: een passieve religiositeit, typisch gericht op de consument, zonder autoriteiten, zonder blijvende verbintenissen en vooral zonder ‘heilige ruimte’. Maar zelfs deze weinigeisende religiositeit zette niet echt door en blijkt niet meer dan de spiritualiteit van het Boeddhabeeldje bij het tuincentrum of de meubelboulevard: makkelijk om bij te ontspannen en een waxinelichtje bij te branden, maar je hoeft je er verder niets van aan te trekken.

Intens
Ook tussen en binnen kerkelijke gemeenschappen vinden veranderingen plaats. Ik noem er een paar.
Het onderscheid tussen protestanten en rooms-katholieken wordt minder. Rome heeft meer aandacht voor protestanten en binnen de protestantse wereld worden auteurs als Henri Nouwen, Thomas a Kempis en Benedictus XVI – met zijn trilogie over Jezus – gelezen en gewaardeerd. Ook vinden rituelen als een kaarsje aansteken ingang in protestantse kerken. Recent wijdde de EO een tv-serie aan de huidige paus.
Het onderscheid tussen gereformeerden en evangelischen is, in ieder geval qua vormgeving van de eredienst en het belang van een persoonlijke relatie met Christus, soms nauwelijks meer te maken.
De kerken gaan ook in andere opzichten meer op elkaar lijken. Zo werd in de rapportage Kerken onderweg, maar waarheen, en hoe? van het Praktijkcentrum aan de vrijgemaakte synode van 2014 gesproken over afnemende betrokkenheid van gemeenteleden bij het bredere kerkelijke leven, over het vertrek van (jonge, maar ook oudere!) gemeenteleden naar gemeenten die meer passen bij hun eigen behoeften of opvattingen en over grensperforatie tussen gemeenten. Deze ontwikkelingen spelen al langer in de NGK en de CGK en zijn binnen de Rooms-Katholieke Kerk en de PKN al jarenlang aan de orde.
Naast alle zorgen lijkt er tegelijkertijd sprake te zijn van een diep verlangen naar meer heiliging van het leven, naar een dieper en persoonlijker leven met Christus. God in Nederland merkt op dat jonge rooms-katholieken vaak rechter in de leer zijn dan oudere. En in de rapportage van het Praktijkcentrum komt naar voren dat jonge kerkleden het christelijke leven intens en met heldere uitgangspunten vormgeven (zie het kader). Je zou kunnen zeggen dat in een sterk geseculariseerde samenleving degenen die Christus wél willen volgen daar heel bewust voor kiezen en gerichter hun leven naar God en Jezus inrichten. Tegelijkertijd is die ‘inrichting’ wel onderhevig aan de moderne bewegingen van individualisering en intensivering. Ook de jonge gelovigen die Christus willen volgen blijken moeilijk gedurende langere tijd een ambt of vrijwilligerstaak op zich te willen of kunnen nemen.
Naast deze meer geloofsinhoudelijke veranderingen zijn er ook op organisatorisch terrein grote veranderingen in de kerk. In een rapportage maken deputaten die zich met kerkelijke eenheid en samenwerking bezighouden melding van toenemende samenwerking tussen de GKv, NGK en CGK, en evangelische gemeenten, gemeenten uit de PKN en rooms-katholieke gemeenschappen. Die samenwerking is vaak lokaal georiënteerd, soms gericht opgezet vanuit diaconale of missionaire motieven, soms opgezet omdat de gemeenten elkaar zodanig herkennen in de wens om Christus te volgen dat samengaan als gehoorzaamheid aan de Heiland wordt beleden.

Bruid
De wereld verandert, Nederland verandert, de kerken veranderen, de wijze waarop gelovigen hun geloof vormgeven verandert. Oude zekerheden en structuren vallen weg en nieuwe vormen lijken ervoor in de plaats te komen.
Hoe dit zich precies voltrekt, is zoeken. Het is deels nog verborgen, slechts bekend bij God. De kerk is immers de bruid van Jezus en tevens zijn lichaam. Toch lijken in ieder geval drie zaken nadrukkelijk onze aandacht te vragen: de betrokkenheid bij het lichaam van Christus, de vraag hoe we Christus’ stem kunnen (blijven) horen en de vraag hoe we zijn woorden doorgeven in de ‘ongeletterdheid’ van een snelle beeldcultuur.

1. Betrokkenheid
Gemeenteleden zijn minder langdurig betrokken bij een gemeente en willen minder langdurig een leidinggevende rol spelen. Je ziet dat bijvoorbeeld terug in de moeite om ambten te vervullen. Ook de verbondenheid met een kerkverband is minder: als mensen verhuizen, zoeken ze in hun nieuwe woonplaats een gemeente die aansluit bij hun eigen geloofsbehoeften en -vormen, ook al behoort die gemeente tot een ander kerkverband.
Nu is een verminderde duur van de betrokkenheid niet per se een probleem: je voorkomt ermee dat gemeenteleden uitgeblust of overbelast raken. Een nadeel is de snellere wisseling van de wacht: steeds nieuwe ambtsdragers kunnen ook steeds veranderingen van beleid meebrengen.
Het voorgaande betekent dat we op zoek moeten naar modellen van gemeente zijn en ambtsinvulling waarin mensen zich zowel langdurig als tijdelijk kunnen verbinden en waarin het appèl om verantwoordelijkheid te nemen op verschillende manieren beantwoord kan worden.
Hoe kunnen wij God weer als persoon gaan ontmoeten, niet als denkmodel maar als de levende, de aanwezige?

2. Hoe hoor je Christus’ stem?
De gemeente is één van de mogelijkheden om de stem van God te beluisteren. Ik hoor God spreken als ik in de Bijbel lees of als ik nadenk over de navolging van Christus. Maar ik hoor Hem ook in de stemmen van broers en zussen die vertellen over hun leven met God. Hoe zij leren, struikelen, blij zijn, verdriet hebben, God kwijt zijn en weer terugvinden.
Dat alles vereist soms wel nieuwe woorden, passend bij deze tijd. Jonge mensen vertellen dat ze helemaal niet weten wat ze zich bij de stem van God moeten voorstellen of wat het betekent om te luisteren naar wat God zegt. Veel te vaak verbinden zij dit met gehoorzaamheid aan een set gewoonten en regels. Een belangrijke vraag is daarom: hoe kunnen wij God weer als persoon ontmoeten, niet als denkmodel, maar als de levende, de aanwezige, degene die er is, net zo direct en reëel als je vriend, je ouder of je geliefde? En welke rol speelt Bijbellezen hierbij? Eigenlijk is Bijbellezen luisteren naar wat God vertelt over zichzelf en zijn ervaringen met mensen. Na dat luisteren vraagt God als het ware aan ons: ‘Reageer eens, wat vind jij van wat Ik vertel? Hoe speelt dit tussen jou en Mij? En tussen jou en andere mensen?’

3. Hoe geef je zijn woorden door?
Het laatste punt dat onze aandacht vraagt, is de dreigende ‘ongeletterdheid’: hoe helpen wij elkaar om het Woord van God te beluisteren en te begrijpen in een tijd waarin de beeldcultuur de woordcultuur steeds meer is gaan vervangen? Je merkt dat het lezen van langere, iets ingewikkelder teksten – met meer omvang dan wat op het beeldscherm van een smartphone of tablet past – voor veel mensen lastig geworden is. Catecheten, jeugdleiders, predikanten en leerkrachten (her)kennen dit. Dus ligt hier een uitdaging: als we de woorden van God willen (blijven) lezen, dan zullen we elkaar in de geloofsgemeenschap moeten helpen om die woorden begrijpend te lezen en om zo, in de veelheid van geluiden die te horen zijn, de stem van God te kunnen horen.

De kerk van de toekomst
De toekomst van de kerk lijkt in Nederland vooralsnog een toekomst waarin krimp, verandering van vormgeving en organisatie en vertrek uit het publieke domein vooropstaan. De kerk van de toekomst moet hier een antwoord op vinden. Dat hoeft niet tot paniek te leiden. Altijd is de kerk immers in beweging: Christus zelf beweegt dit bestaan naar het einde, naar zijn terugkeer. Het antwoord op alle veranderingen zal dan ook gevonden moeten worden in de verbondenheid aan de Heer van de kerk, van iedere gelovige op zich en alle gelovigen met elkaar.

Dit artikel is gepubliceerd in OnderWeg #20 jaargang 2 | 29 oktober 2016

The following two tabs change content below.
Is verantwoordelijk voor de afstemming van de vragen uit de kerken, uit de theologische opleidingen en van de adviseurs en onderzoekers. Dienst aan de kerken in praktische zin in combinatie met dienst aan de (wetenschappelijke en praktische) doordenking van ons leven als volgeling van Jezus Christus. Met elkaar onderweg naar het nieuwe Koninkrijk van God, geleid door de Geest onder een open hemel. mail Henk