Het avondmaal is de kern van de christelijke eredienst. Tenminste, dat zeggen de geleerden op het gebied van liturgie en eredienst. De beleving van kerkgangers is vaak anders. Hoe kan dat?

Er bestaat een nogal grote tegenstelling tussen wat gezegd wordt over de plek en het belang van het avondmaal en de manier waarop kerkgangers het avondmaal werkelijk beleven. Op zich is dat niet nieuw, en ook niet buitengewoon verontrustend. Op allerlei terreinen in de kerk kun je zulke tegenstellingen vinden. Denk aan ethische thema’s: we mogen niet stelen, maar tegelijkertijd maken we in het rijke Westen deel uit van een systeem dat systematisch rijke grondstoffen uit andere delen van de wereld haalt en daar lang niet altijd een eerlijke prijs voor betaalt. Dus: moeten we gewoon maar blijven preken dat het avondmaal heel belangrijk is? Of speelt hier meer?

Rome

Het avondmaal is voor protestanten niet gemakkelijk als kernonderdeel van de dienst te beleven. Sinds de breuk met Rome in de zestiende eeuw hebben gereformeerde christenen een flinke dosis scepsis ten opzichte van de avondmaalsviering ontwikkeld.
Voor Rome stond de dagelijkse mispraktijk centraal, inclusief de leer van de zogenoemde transsubstantiatie: brood en wijn veranderen in het lichaam en bloed van Christus, waardoor het offer van Christus steeds opnieuw herhaald wordt. Dat is waar vraag en antwoord 80 van de Heidelbergse Catechismus over gaat: de ‘vervloekte afgoderij’ van de pauselijke mis. Hoe vaak en hoeveel predikanten dit ook nuanceren, dit is nog steeds het beeld dat veel protestanten hebben van de mis.
Het avondmaal wordt daarom veel minder vaak gevierd dan de mis. We beperken de viering meestal tot vier of zes keer per jaar. Een enkele gemeente viert het avondmaal maandelijks, maar vrijwel nooit wekelijks en zeker niet dagelijks. Dan is het toch niet raar dat het avondmaal niet zó belangrijk gevonden wordt?

Tempel

Gereformeerden hebben sowieso niet zo veel met ceremoniën en rituelen. Dat blijkt ook uit een onderzoek dat studenten van de Theologische Universiteit Kampen hebben uitgevoerd. Ze vroegen gemeenteleden naar het belang van ‘de kerk’ voor hun geloofsleven. Hoeveel ‘kerk’ heb je nodig om te kunnen geloven? Een aantal vragen ging over de sacramenten. De reacties waren verschillend. Sommigen beleven veel bij doop of avondmaal, anderen juist heel weinig.
Een 65+’er zei: ‘De doop vind ik belangrijker dan het avondmaal. Ik vind het avondmaal niet onmisbaar, de doop misschien ook niet. Avondmaal vind ik prima, maar we zijn er zo somber bij en we doen het zo officieel, met de afkondiging over wie wel en niet gaat en zo. Maak er liever een feest van.’
Toch is er wel behoefte aan rituelen, zo blijkt uit andere onderzoeken. Ook onder gereformeerden. Denk alleen maar aan de nieuwe rituelen die we tegenkomen rond belijdenisdiensten. Een aantal jaren lang brachten in veel kerken de jongeren die belijdenis deden een roos mee, die ze bij het doopvont legden. Een manier om het inhoudelijke verband tussen doop en belijdenis symbolisch vorm te geven.

‘Avondmaal vind ik prima, maar we zijn er zo somber bij en we doen het zo officieel’

In de samenleving zien we dergelijke trends ook. Denk aan de manier waarop de slachtoffers van de MH17-ramp werden herdacht op het vliegveld van Eindhoven. En nog onlangs pleitte filosoof Alain de Botton, auteur van het boek Religion for Atheists, ervoor om in hartje Londen een atheïstentempel te laten bouwen, die 46 meter hoog zou moeten worden. Rituelen, symbolen en zingeving zijn in onze geseculariseerde wereld nog steeds belangrijk.
We hebben wel een dubbele verhouding tot zulke rituelen. Aan de ene kant zoeken we ernaar, omdat ze uitdrukking geven aan iets onzegbaars en omdat we ons daardoor verbonden voelen met anderen op belangrijke momenten in ons leven. Een bloem zegt iets, net als een gezamenlijk luid applaus langs de weg waarlangs het stoffelijk overschot van tientallen slachtoffers van een vliegramp wordt vervoerd. Aan de andere kant willen we niet dat zulke rituelen van bovenaf worden opgelegd. Ze moeten van onderaf, door onszelf, worden bedacht. Want ze moeten vooral uitdrukking geven aan wat wij beleven en ervaren. Die dubbelheid moet ons te denken geven…

Toonzetting

Paulus – de apostel die op het allerlaatst geroepen is, het ‘misbaksel’ onder de apostelen, zoals hij het zelf uitdrukt – schrijft in 1 Korintiërs 15:3-5 het volgende over het evangelie: ‘Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, dat Hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, en dat Hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen.’
Het evangelie ontvang je allereerst, je krijgt het in de schoot geworpen. We bedenken het niet, we maken het niet; we leven van wat ons wordt doorgegeven. Daarom wijst Paulus de Korintiërs ook terecht: ‘Of is het woord Gods bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?’ (14:36). Vandaar dat hij over het avondmaal dezelfde toonzetting gebruikt: ‘Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf’ (11:23).
De rituelen en symbolen van het avondmaal en de doop zijn niet door ons bedacht, om uiting te geven aan ons gevoel. Ze zijn ons als geloofsvormen of geloofspraktijken gegeven. Ze zijn van oudsher tot ons gekomen als momenten waarop we het lijden en sterven van Christus kunnen vieren en gedenken. Momenten waarop werkelijk iets gebeurt: er wordt gedompeld, er wordt gegeten en gedronken. Momenten die ons meenemen: ze maken ons tot leerling, ze leren ons vanuit de eenheid met Christus te leven.

Rijkgevuld

Jasper Bosman onderzocht recent in drie GKv-gemeenten wat avondmaalsgangers en voorgangers beleven rondom en in de viering van het avondmaal. Zijn onderzoek biedt een aantal inzichten. Avondmaalsgangers blijken het avondmaal vaak te vieren om Jezus’ offer te herdenken of te gedenken, om heil en genade te beseffen, om zonden te beseffen en om gemeenschap met elkaar te beleven. Voorgangers daarentegen leggen veel meer nadruk op het concreet ervaren van het heil in brood en wijn en de gemeenschap met Christus.
Dit verschil is goed verklaarbaar. Voorgangers hebben een andere rol in de viering: zij hebben het grondig voorbereid, ze zijn theologisch geschoold en ze willen de rijkdom van het avondmaal en allerlei dwarsverbanden met andere onderdelen van het christelijk geloof overdragen. Avondmaalsgangers zijn hier veel minder mee bezig. De vaak lage frequentie van avondmaalsvieringen maakt ook dat ze er niet veel en vaak over nadenken.
Veel voorgangers doen hun best om het avondmaal als een ‘rijkgevuld’ symbool te vieren. Belangrijk hierbij is te bedenken dat je juist rond het avondmaal die rijke betekenissen niet met woorden alleen tot bloei kunt en hoeft te brengen. Om hiervan iets te laten ervaren, heb ik vanuit het Praktijkcentrum van de GKv in een gemeente een klein onderwijs-ervaringstraject mogen uitvoeren.

Huichelaar

Het traject begon met een gemeenteavond over de toekomst van de kerk. Als we de krimp van de kerk zien en ervaren, en merken hoe moeilijk jongeren soms bij de kerk blijven, ligt zo’n bezinning voor de hand: hoe kunnen we kerk zijn in de 21ste eeuw?
Laten we voor het gemak even instemmen met de deskundigen die het samenkomen van de gemeente op zondag belangrijk vinden. Zelf ben ik hiervan overtuigd, maar gemeenteleden zijn dat om allerlei redenen veel minder. De meest simpele reden is dat kerkdiensten voor de beleving van kerkgangers niet zo veel toevoegen aan hun geloof: er gebeurt niet zo veel. Maar goed, aangenomen dat ze toch belangrijk zijn, ligt de kern van kerk zijn in het luisteren naar en het ontvangen van Gods Woord. Daar ontmoeten we God en elkaar op een heel intense en tegelijk vaak gestileerde manier.
In overleg met de kerkenraad werd besloten om dit ook werkelijk te doen. We wilden niet alleen praten over kerk zijn, maar het ook vieren, doordenken en beleven in de kerkdiensten. Eén aspect daarvan was een avondmaalsviering.
In drie meditaties overdacht ik met de gemeente wat Jezus zegt in Matteüs 7:1: ‘Oordeel niet, opdat er niet over jullie geoordeeld wordt.’ Aan de avondmaalstafel moet het veilig zijn. Hét oordeel is gedragen en in de viering met brood en wijn mogen we dat beleven. In die veiligheid hoeven onze eigen wonden (de splinters bij de ander, de balk in ons eigen oog) ook niet overschreeuwd te worden.

De vaak lage frequentie van avondmaalsvieringen maakt dat gemeenteleden er niet veel en vaak over nadenken

Elk van ons is op haar of zijn manier gewond: gekwetst, breekbaar, feilbaar. Daarom mag ik de ander niet de maat nemen, alsof ik sterk en groot ben en de ander zwak en fout. Er klonk rond deze avondmaalstafel daarom ook een verwijt: ‘Huichelaar!’ (Matteüs 7:5). We moeten onszelf niet beter, sterker, groter voordoen dan we zijn, en de ander beoordelen en veroordelen. Jezus wil gastheer zijn aan een tafel met mensen die beleven dat zij veiligheid nodig hebben om te kunnen groeien als mens in verbondenheid met God en met elkaar.

Aan het slot van de dienst, tijdens de gaande viering, gaf ik de mensen een stukje brood, waarbij ik elk van hen persoonlijk toezegde: Christus gaf zichzelf voor jou, voor u!

We eindigden met het zingen van Opwekking 710:

‘Vader maak mij tot een zegen.
Ga mij niet voorbij.
Regen op mij met uw Geest, Heer.
Jezus kom tot mij
als de Bron van leven
die ontspringt diep in mij.
Breng een stroom van zegen
waarin U zelf steeds mooier wordt voor mij.’

Na afloop bleken veel avondmaalsgangers de viering diep doorvoeld en beleefd te hebben, vanuit de gedachte dat het kerk zijn in onze tijd hier, aan de avondmaalstafel, ontspringt. Ook tijdens de bijeenkomsten in kleine kring op dezelfde zondagavond werd intens en intensief gedeeld en besproken hoe het avondmaal werkelijk de kern van ons kerk zijn vormt.

Hele lichaam

Ik zie vier redenen waarom de christelijke kerk er goed aan doet om het avondmaal als kern van de kerkdienst te blijven zien. Allereerst gaat het om de inhoudelijke kern van het christelijk geloof: het sterven van Jezus Christus, onze Heiland, die ons geboden heeft hierin ons heil te zoeken, ook na zijn opstanding. De inhoudelijke rijkdom van wat dit betekent is onuitputtelijk en nog steeds een bron van veel nadenken en doordenken.
In de tweede plaats komen in het avondmaal leer en leven nadrukkelijk bij elkaar. Leven uit het kruis keert de menselijke maakbaarheid om en leert ons de diepe kern van het christen zijn: dat wij leven van wat de Vader in Christus door de Geest ons geeft. Het keert de gebruikelijke indeling in sterk/zwak om en geeft ons uitzicht op Hem die ons als enige kan redden van de dood.
In de derde plaats: leren leven uit het kruis is niet alleen een kwestie van intellectuele theologische bespiegelingen, het is iets wat we met inzet van ons hele lichaam mogen leren beleven. Juist in onze ervaringscultuur geeft de viering van het avondmaal ons hiervoor prachtige instrumenten in handen.
Ten slotte: rituelen die uitdrukken wat we toch al ervaren en weten, zien we overal. Maar in het avondmaal leren we steeds opnieuw leerling te worden. Hier heb ik als kwetsbaar mens niet allereerst zelf iets te vertellen. Hier leer ik ontvangen. In brood en wijn word ik gevoed met Christus zelf. Om Hem vervolgens met vallen en opstaan weer door te geven.

‘Wees mijn brood en mijn beker, mijn ogen dorsten naar U, die de dood wilde breken. Het leven schenkt Gij nu’ (Ria Borkent, Gereformeerd Kerkboek 128).

Dit artikel is gepubliceerd in OnderWeg 30 april 2016

The following two tabs change content below.

Hans Schaeffer

Post-doc onderzoeker Praktische Theologie Theologische Universiteit Kampen In het onderzoek richt ik me op de verzameling en analyse van empirische gegevens over de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Daarnaast houd ik me bezig met onderzoek in de deeldiscipline gemeente-opbouw. De analyse van kerkelijke praktijken geeft inzicht in de manier waarop kerkleden het kerk-zijn beleven. Door hierop theologisch te reflecteren kunnen de aandachtsvelden worden benoemd waarop verder moet worden doorgedacht.

Laatste berichten van Hans Schaeffer (toon alles)