Eén van de grootste veranderingen in het leven van tieners van de afgelopen tien jaar is de opmars van internet. Jongeren van nu willen altijd toegang hebben tot internet. Volwassenen reageren daar vaak negatief op, maar is dat wel terecht? We zijn toch geschapen om relationeel verbonden te zijn? Misschien kunnen we als jeugdwerkers juist hier laten zien wat echt belangrijk is.

Veel jongeren lijden aan fobo: de fear of being offline. Een ruime meerderheid van de jongeren wil altijd en overal verbonden zijn en ze voelen zich buitengesloten als ze geen toegang tot internet hebben. Daarbij gaat het er nog niet eens om dat ze iets missen (fomo: fear of missing out), maar offline zijn betekent dat ze afgesloten zijn van hun eigen leefwereld. Hun leven online is voor hen direct verbonden met het leven offline.

Het valt mij op dat volwassenen daar vaak negatief op reageren. Ze zeggen bijvoorbeeld: ‘Jongeren krijgen door het gebruik van hun smartphone te veel prikkels.’ ‘Jongeren kunnen moeilijk rust vinden.’ Of: ‘Vroeger waren jongeren veel meer met elkaar in gesprek na de (catechese)les, nu pakken ze gelijk hun smartphone.’ Ook iemand als paus Franciscus heeft zich op deze manier hierover uitgelaten: ‘Een gezin dat haast nooit samen eet, of waar men aan tafel niet praat maar de televisie of smartphone bekijkt, is een “weinig-gezin-gezin”. Wanneer aan tafel de kinderen doende zijn met computer of gsm en niet naar elkaar luisteren, dan is dat geen gezin, maar een tehuis.’

Zwart-wit

Ik herken die aarzeling wel. Ik ben zelf veel bezig met mijn smartphone en kies er bewust voor om mijn telefoon regelmatig op de vliegtuigstand te zetten, bijvoorbeeld als ik moet spreken, tijdens de kerkdienst, of als ik naar bed ga. (Voor de duidelijkheid: de vliegtuigstand is een instelling op je telefoon waarmee je de mobiele verbinding, Wi-Fi en Bluetooth op je telefoon uitschakelt, maar nog wel gebruik kunt maken van allerlei apps.) Misschien moet ik het ook doen tijdens het eten, al hanteren wij al de regel dat de telefoon niet op tafel mag liggen tijdens de maaltijd.

In onderzoeken en in de media wordt vaak gewezen op de negatieve gevolgen van het altijd online zijn. En de paus heeft zeker een punt, maar is het niet te zwart-wit, zeker als het gaat over jongeren? Hebben we hier misschien eerder te maken met een paradigmawisseling, die vooral de kloof zichtbaar maakt tussen het technologiegebruik van jongeren en van ouderen? Voor een deel is dat zeker het geval. Jongeren kennen geen wereld zonder internet meer en het is logisch om te veronderstellen dat dit consequenties heeft voor de sociale cohesie in de maatschappij.

Verbonden

In oktober 2015 promoveerde Marjon Schols op een onderzoek naar de impact van het internetgebruik van jongeren op de sociale cohesie in de maatschappij. Een verrassende uitkomst van haar onderzoek is dat het online zijn op zich geen probleem is, maar dat veel belangrijker is wat de jongeren online dóen. Jongeren die online veel bezig zijn met sociale activiteiten, zijn sterker verbonden met ‘echte’ sociale netwerken en vrienden. Het online sociale netwerk blijkt vooral een middel om het offline netwerk te versterken. Jongeren die daarentegen veel tijd besteden aan bijvoorbeeld online gamen, participeren juist minder in vriendengroepen. Schols laat zien dat online zijn een middel is dat positief of negatief gebruikt kan worden. Daarbij wordt vooral duidelijk dat online activiteiten in zichzelf geen betekenis geven aan het offline leven.

Maar dat is uiteindelijk wel waarvoor we geschapen zijn: om offline contact met elkaar te hebben. Dat IRL-contact (in real life) kan nooit vervangen worden door online activiteiten. Juist door de offline contacten beseffen we hoe waardevol relaties zijn. Tegelijkertijd geldt voor veel jongeren dat het onderscheid tussen online en offline activiteiten minder relevant is.

De activiteiten zijn weliswaar verschillend, maar ze versterken elkaar. Dat wordt zichtbaar als jongeren gedwongen of vrijwillig geen toegang hebben tot internet. Ze willen online zijn om verbonden te zijn met hun vrienden en hun familie, ook als die zich fysiek op andere locaties bevinden. Ze hanteren daarvoor een scala aan sociale media, zelfs Facebook – waarvan het gebruik onder jongeren in het afgelopen jaar sterk veranderd is – wordt nog steeds bekeken om op de hoogte te blijven van wat bijvoorbeeld papa of mama online zet.

Kansen

Voor het jeugdwerk is het belangrijk dat we niet alleen oog hebben voor mogelijke negatieve gevolgen van het constant online zijn, maar dat we vooral ook de kansen zien voor het jeugdwerk. Bijvoorbeeld dat we op de juiste manier gebruikmaken van de apps die jongeren gebruiken om online te zijn. Niet elke app is geschikt voor elke vorm van communicatie. Kijk als jeugdwerker hoe jongeren de sociale media gebruiken. Wees je ervan bewust dat het doel van de apps verschillend is, maar wees je er vooral van bewust dat het ook voor jongeren draait om het ‘echte’, offline contact.

Dus blijft het essentieel om te investeren in offline relaties. Juist in een wereld die voor jongeren steeds groter wordt, is het belangrijk om persoonlijk contact te hebben. En deze offline contacten kun je online versterken.

Dit artikel is gepubliceerd in het blad OnderWeg #05 5 maart 2016.

The following two tabs change content below.

Anko Oussoren

Adviseur op Praktijkcentrum
Is sociaal, geïnteresseerd in mensen en heeft zich vooral de laatste jaren ingezet voor jongeren binnen en buiten de kerk. Zijn passie ligt bij het jeugdwerk en het missionair gemeente-zijn. Hij heeft het verlangen om gemeenten toe te rusten vanuit de liefde van God. Mail naar Anko